Faust

Nederlands > Thema's, stijl en vorm > Faust

Boelgakov begint De meester en Margarita met een citaat uit Faust, misschien wel het bekendste werk van de Duitse schrijver, wetenschapper en filosoof Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832):

«Maar goed, wie zijt ge dan?
Deel van die kracht en sterkt'
die steeds het kwade wil
en steeds ten goede werkt.»

Goethe inspireerde zich voor zijn roman op de figuur van Dokter Johannes Faust (circa 1480-1540), een Duits magiër en medicus. Hij had ook astrologie, scheikunde en filosofie gestudeerd.

De geruchten en legendes over hem begonnen al tijdens zijn leven. Het gerucht ging dat hij zich bezighield met de Zwarte Magie. Men weet niet precies hoe of wanneer Dokter Faust is overleden, maar het leek er op dat hij was vermoord. Andere zeggen dat hij omkwam bij een explosie tijdens één van zijn alchemistische experimenten. Samen met zijn dood, vermoedelijk rond 1540, ontstond het gerucht dat hij een pact met de duivel had gesloten. Dat Faust niet van de jongens kon afblijven blijkt uit maatregelen die de stad Neurenberg in 1532 nam tegen deze «Doctor Fausto, dem grossen Sodomitten». Ook had Faust blijkbaar heterodoxe denkbeelden, die hem onder andere op de afkeuring van Luther kwamen te staan. Sommige deskundigen menen dat het grootste deel van de aantijgingen tegen Faust van Luther en andere geestelijken kwamen. Zij zouden hem vooral hard hebben aangepakt omdat zijn gedachtengoed hen niet aanstond. Helaas valt echter niet te achterhalen wat Fausts denkbeelden precies waren. In elk geval verklaart deze afkeer wel waarom Faust de Europese cultuur inging als archetype van de magiër die zijn ziel aan de Duivel verkoopt in ruil voor allerlei materiële en immateriële genoegens.

Goethe baseerde zich op deze historische figuur om, vanaf zijn twintigste levensjaar en met tussenpozen, zijn levenswerk Faust te creëren. Hij maakte het pas op de valreep, vlak vóór zijn dood, af.

Het boek Faust begint in de Hemel, de Duivel is op bezoek bij God om met hem te praten over één van God's creaties: de mens Adam. De Duivel vindt deze creatie verachtelijk en heeft nogal wat bezwaren tegen zowel de mens zelf, als tegen Gods bewegingen om hem te creëren. God is overtuigd van de goedheid van de mens en zijn vermogen om op het rechte pad te blijven, de Duivel trekt dit op zijn zachtst gezegd in twijfel en is er van overtuigd dat hij de mens, in de vorm van Faust, van het rechte pad kan afleiden. God tolereert Mephistopheles' brutaliteit, omdat hij zich bewust is van diens rol in het op het rechte pad houden van de mens, maar hij is tegelijk overtuigd van de capaciteit van diezelfde mens om op het rechte pad te blijven. Deze vergaande mate van toekenning van zelfbeschikking aan de mens, staat al haaks op de traditionele christelijke opvatting dat God almachtig is. Maar goed, Goethe's Faust wordt dus de inzet van het gebekvecht tussen God en Mephistopheles.

Na deze Prolog im Himmel treffen we de wetenschapper Faust aan in de nacht. Hij is vertwijfeld over zijn ontoereikende kennis. Hij is een vooraanstaand professor, die zich bewust is van de grenzen van de menselijke kennis, maar die wel bedreven is in de magie. Hij moet voor zichzelf toegeven dat hij met al dat studeren en getob, waarin hij op zoek was naar de hoogst mogelijke kennis omtrent mens en wereld, weinig opgeschoten is. Dan glipt er een hondje, een poedel, met hem zijn studeerkamer binnen.

De poedel blijkt Mephistopheles, de duivel, te zijn aan wie Faust daarna zijn ziel verkoopt. Hij sluit met hem een weddenschap, om de fel begeerde kennis alsnog te verwerven. Faust zal het anders moeten aanpakken. Als studie en boekenwijsheid hem tot nu toe niet geholpen hebben, dan zal hij Mephistopheles’ advies moeten opvolgen. Alleen een kennismaking met het echte leven kan hem het benodigde inzicht verschaffen. Daarom laat hij Faust in de Auerbachs kelder in Leipzig kennismaken met het leven van de studenten en met de Hexenküche, waar de stijve wetenschapper door een heks tot een vlotte jongen wordt omgetoverd.

Faust ontmoet het nog onbedorven en naïeve meisje Margarete, ook wel Gretchen geheten. Om deze dramatische liefdesgeschiedenis draait de rest van het eerste deel van de Faust. Gretchen wordt zwanger van Faust en om de schande van deze ongehuwde zwangerschap te ontlopen doodt de diep-religieuze Gretchen haar kind. Zij wordt voor deze babymoord veroordeeld en in een kerker vastgezet.

Faust wil Mephistopheles de schuld voor al dit kwaad in zijn leven in de schoenen schuiven, maar de duivel wijst Faust op zijn eigen wil en verantwoordelijkheid. Uiteindelijk probeert Faust zijn geliefde uit de gevangenis te bevrijden. Maar Gretchen wijst zijn hulp af. Met een kwaad geweten wil zij niet langer op aarde leven, hier kan niemand haar meer helpen. Terwijl Faust bereid is om gedane zaken eenvoudig te vergeten, neemt Gretchen de schuld voor al haar daden volledig op zich. Aan het eind van Faust I wordt zij voor haar religieuze standvastigheid alsnog in de hemel opgenomen.

Aan het eind van de Faust I lijkt Mephistopheles te winnen van Faust, maar Goethe schrijft intussen nog aan een tweede deel. Dat deel voltooit hij kort voor zijn dood in 1832. Aan het eind van zijn lange zoektocht wint Faust toch van Mephistopheles. Hij is dan tot het inzicht gekomen, dat al het getob over zin en samenhang in de wereld weinig waard is. Vrijheid moet dagelijks veroverd worden!.



Deze pagina delen |