Wonen in de Sovjetunie

Nederlands > Context > Economisch > Woningproblemen

Privébezit van huizen werd afgeschaft in de Sovjetunie in 1918. Er kwamen nieuwe wetten die bepaalden wie waar kon wonen. De situatie was vooral ingewikkeld in de steden, waar landeigenaars wegvluchtten en vele anderen naar de stad kwamen. De gespannen situatie op het vlak van huisvesting die daarvan het resultaat was heeft nog tot op vandaag zijn gevolgen. Er werden huisvestingsauthoriteiten opgericht die bepaalden wie waar moest wonen. De meeste appartementsgebouwen hadden een Bewonerscomité voorgezeten door een Huisdirecteur. Een erg levendig voorbeeld van hoe dat in zijn werk ging is te zien in de film Dokter Zjivago (1965), geregisseerd door David Lean en gebaseerd op Boris Pasternak's beroemde roman. Een andere film die deze problematiek mooi in beeld brengt is [Est] Ouest (1999) van Régis Wargnier.

Klik hier om een fragment te bekijken van [Est] Ouest

Elk appartement dat geacht werd te groot te zijn voor zijn bewoner werd, indien de bewoner al het geluk had er te mogen blijven, verplicht gedeeld met gelijk wie het Huisvestingscomité de toelating gaf om erin te komen. Vaak werden grote appartementen en privéwoningen omgevormd tot verschillende kleine appartementen. Andere werden gewoon gedeeld. Een driekamerappartement dat tot één familie behoorde kon bijvoorbeeld door een eenvoudige beslissing een appartement voor drie families worden. Het werd dan een коммунальная квартира [komoenalnaja kvartira] of gemeenschappelijk appartement. De keuken, de hal en de badkamer moesten daarin worden gedeeld. Dat leidde vaak tot wrevel tussen de verschillende gezinnen, vooral indien één van hen de oorspronkelijke bewoner was, en wanneer ze voor jaren moesten samenwonen.

De typische reactie van de Sovjetburgers op deze ontberingen was het uitdenken van slimme oplossingen om de officiële regels te omzeilen. Het ruilen van appartementen was er één van. Wanneer twee mensen trouwden, bijvoorbeeld, konden ze hun twee éénkamerflats willen ruilen voor één tweekamerwoning. De eenvoudigste manier was het zoeken van een koppel dat wou scheiden, om dan gewoon met hen te wisselen. Dit moest natuurlijk worden goedgekeurd door het Bewonerscomité van elk van de appartementsgebouwen. Vaak was de situatie nog ingewikkelder: een derde of vierde gezien kon betrokken zijn, waarbij gezin drie verhuisde naar appartement één, gezin vier naar appartement drie, en zo verder. En men moest ook rekening houden met ongelijkheden op het vlak van de grootte en de kwaliteit van de appartementen en de omgeving. Soms werden gezinnen betaald om een minder fraaie leefsituatie te aanvaarden. Een andere truuk bestond erin om in een appartement de ruime kamers te verdelen in meerdere kleine, wat ze, tenminste op papier, aantrekkelijker moest maken. Deze praktijken vonden plaats tot in de laatste dagen van de Sovjetunie.

In 1921 werden kleinere huizen teruggegeven aan hun vroegere eigenaars. Maar de grond was volledig genationaliseerd, zodat de eigenaars van kleine huizen terug in het bezit kwamen van alleen maar de gebouwen, en van de grond alleen het gebruiksrecht kregen. Het bezit was beperkt tot het persoonlijk gebruik door de vorige eigenaar en zijn gezin. In de periode van de Nieuwe Economische Politiek (NEP) mochten privépersonen kleine huizen bouwen en bezitten. Bij een dergelijke eigenaar - een застройщик [zastrojstsjik] of bouwer - huurde Boelgakov in 1927 een paar kamers.

In 1936 stond in artikel 6 van de Grondwet van de USSR: «Het land, zijn natuurlijke rijkdommen, het water, de wouden, de bedrijven, de fabrieken, de mijnen, de spoorwegen, het transport te water en in de lucht, de banken, de post, telegraaf en telefoon, de grote door de staat georganiseerde landbouwbedrijven (staatsboerderijen, machines en tractorstations en dergelijke) alsook de gemeentebedrijven en het grootste deel van de woonhuizen in de steden en de industriële installaties, zijn eigendom van de staat, wat betekent dat ze behoren tot het gehele volk.»

Nochtans bepaalde artikel 10 van diezelfde Grondwet dat «Het recht van burgers op het persoonlijk bezit van hun inkomen uit werk en hun spaargelden, van hun woonhuizen en de bijhorende huishoudelijke activiteiten, hun huishoudelijk meubilair en de gebruiksvoorwerpen en artikelen voor persoonlijk gebruik en gemak, alsook het erfrecht van persoonlijk bezit van burgersbeschermd was door de wet»

Maar toch bleef privébezit in de ogen van de regering en de partij een toegeving, een kwaad dat zo snel mogelijk moest geëlimineerd worden.

In 1939 startte de Sovjetregering mrekwaardig genoeg, nadat ze er eerst in geslaagd was bijna alle privéboerderijen af te pakken, een beleid om individuën aan te moedigen weer eigen woningen te bezitten. Maar slechts enkelen, vooral de partij nomenclatuur en zij die dicht bij de macht zaten, konden dromen van een fatsoenlijke woonst van hoge kwaliteit.

Het principe van sociale rechtvaardigheid, zoals het in de USSR werd opgevat, bepaalde dat elk gezin recht had op een woning van niet minder dan 5 vierkante meter leefruimte per persoon. Zo had bijvoorbeeld, volgens dit principe, een gezin van drie personen voldoende aan een kamer van 15 vierkante meter een коммунальнаяквартира (kommoenalnaja kvartira) or gemeenschappelijk appartement. Maar wanneer de kamer slechts 14 vierkante meter groot was kregen ze het recht om hun woonomstandigheden te verbeteren en werden ze op een wachtlijst voor een nieuwe, door de staat aangeboden, flat geplaatst. Deze mensen werden Очередники (otsjeredniki) genoemd. Sommige otsjeredniki moesten evenwelgedurende vele jaren wachten, in Moskou en Leningrad kon dat gemakkelijk 10 jaar of méér zijn.

In die tijd behoorden bijna alle huizen in de steden toe aan de staat. De staat beheerde, onderhield en bouwde de woningen. Ondanks de verhoogde bouwinspanningen was er een permanent tekort aan woningen, de wachtlijsten werden langer en langer en corruptie en de willekeur van officials tierden welig.

Zij die het geluk hadden om een flat voor zichzelf te krijgen werden geen eigenaar of huurder, maar enkel bewoner, zij hadden geen overeenkomst, maar een toelating om de flat te gebruiken - een прописка [propiska]. Alle huisvestingsrechten waren vastgelegd in de Huisvestingscode. De bewoners moesten geen huur betalen, zij moesten alleen betalen voor de nutsvoorzieningen, die beperkt waren en gecontroleerd werden door de staat. Het huisvestingsbeleid was één van de minst marktgerichte in de Sovjeteconomie, de tarieven voor de nutsvoorzieningen lagen ver beneden de reële uitgaven. Tot in de jaren '90 betaalden de bewoners niet meer dan 10 % van de werkelijke kosten. De rest was op kosten van de staat. Het mocht dus niet verbazen dat de permanente financiële tekorten leidden tot het verval van de huizen en de infrastructuur. En de ontoereikende betalingen voor de hulpbronnen veroorzaakten een onverantwoorde verspilling van water, electriciteit en gas.

De Perestroika opende nieuw opportuniteiten voor de denationalisering en markthervormingen in alle domeinen van de Russische economie. In de vroege jaren '90 bereikte deze ook de huizenmarkt. In 1992 bevestigde de Federale Woning Privatisering Wet dat privébewoners de eigendom kregen van het huis waarin ze woonden. De woningen werden gratis overgedragen aan wie dat wou. Maar dat kon slechts één keer, en in overeenstemming met hun propiska. Uiteraard gingen de beste en de duurste appartementen naar de nomenclatuur en de rijken, die de beste opportuniteiten hadden in het Sovjetsysteem. De privatisering van de woningen legaliseerde dus het vroegere sovjet distributiesysteem en verhoogde nog de grote afstand tussen rijk en arm.

In toepassing van de Federale Woning Privatisering Wet werd bijna 50 % van alle woningen geprivatiseerd. Het was één van de belangrijkste politieke acties van de nieuwe Russische regering. Rusland heeft nu trouwens, met 71 %, zelfs een hogere graad van huiseigendom dan de Verenigde Staten (68 %), het Verenigd Koninkrijk (69 %), Canada (66 %) of België (65 %).

Maar het leidde niet tot de verwachte economische consequenties. De meerderheid van de nieuwe flateigenaars hadden nieuwe rechten verkregen. Ze kunnen nu verkopen, schenken en erven, maar zij waren er niet op voorbereid om hun eigendom te beheren of om te betalen voor het onderhoud. De autoriteiten zagen zich verplicht om de huisvesting te blijven subsidiëren door de tarieven voor de nutsvoorzieningen laag te blijven houden en op die wijze zowel de rijke als de arme bewoners te steunen. Daarnaast werd een systeem van persoonlijke subsidies ontwikkeld voor de armen: een gezin mag niet meer dan 18% van het maandinkomen besteden aan huisvesting. De rest is voor rekening van de staat. Deze financiële last weegt zwaar op de lokale budgetten. De steun voor huisvesting leidt tot zware budgettaire tekorten (in het jaar 2000 bedroeg dit tekort 59 miljard roebel). Het gevolg van dit beleid is een verdergaande tendens naar instabiliteit en een verminderende betrouwbaarheid van de woninginfrastructuur.

Samen met de privatisering van de woningen werden ook vroegere staatsbedrijven omgevormd tot privé beheers- en bouwondernemingen. Vandaag bouwen de staat of de lokale authoriteiten geen huizen meer. Privé investerings- en bouwbedrijven hebben de sector overgenomen.



Deze pagina delen |