Marko Fondse

Nederlands > De roman > Interpretaties > Marko Fondse

Bron: Marko Fondse heeft de roman twee keer in het Nederlands vertaald, de tweede keer in samenwerking met Aai Prins. Hij heeft er ook nog een erg interessant nawoord bij geschreven, al kon hij het niet nalaten om zijn eigen vertaling te beschrijven als "een van de meest betrouwbare ter we-reld".

De meester en Margarita

Van Boelgakovs De meester en Margarita, een van de beroemdste romans uit de Russische literatuur van deze eeuw, maar pas ruim een kwart eeuw na de dood van de schrijver in 1940 zwaar verminkt uitgegeven, zal nooit met absolute zekerheid de definitieve redactie kunnen worden vastgesteld. De aandachtige lezer zal altijd blijven zitten met een aantal loose ends, het gevolg van herhaaldelijk herschrijven, inkorten en uitbreiden van de roman, en zeker niet in de laatste plaats de vroegtijdige dood van de in zijn laatste levensfase bijna blinde auteur.

Anders dan in Boelgakovs theaterroman Zwarte sneeuw, die midden in een zin ophoudt, mag De meester en Margarita wel degelijk gelden als een in hoofdzaak voltooid werk.

Boelgakov werkte aan de roman vanaf 1928 tot vlak voor zijn overlijden op 10 maart 1940, met grote onderbrekingen.

In een eerste opzet was het boek een soort diabolade met een ingelast verhaal over Pontius Pilatus. In 1930 vernietigde de schrijver, die al sinds 1925 geen letter meer gepubliceerd kon krijgen, het onvoltooide manus-cript; enkel een paar cahiers van de kladversie overleefden dit zelfgericht. Pas in 1932 nam hij de draad van wat zijn hoofdwerk zou worden weer op. Inmiddels had zich een grote wending in zijn leven voorgedaan. In dat jaar trouwde hij na de nodige ups and downs met Jelena Sergejevna Sjilovs-kaja, die voor hem scheidde van een hooggeplaatst militair. In dat jaar ook doet Jelena Sergejevna, in Boek 1 nog niet met name genoemd, maar in Boek 2 duidelijk de hoofdfiguur, als Margarita haar intrede in de roman. De architectuur van het werk wordt nu zichtbaar.

Pas in 1937 krijgt het boek zijn definitieve titel, als Boelgakov een eerste handgeschreven "schone" versie, compleet met indeling in hoofdstukken en gedateerd 22-23 maart 1938 op papier zet. Een paar weken later dicteert hij en getypte versie, waarbij hij ongenadig schrapt, maar ook uitbreidt en nieuwe verwikkelingen invoert. In nog geen maand is dit karwei geklaard. Een jaar later dicteert hij zijn vrouw de Epiloog. Maar ook daarna blijft hij eindeloos veranderen in de getypte versie en de kopieën daarvan, een arbeid waarbij Jelena Sergejevna ten nauwste betrokken blijft, getuige het feit dat vrijwel alle veranderingen in haar handschrift zijn aangebracht. Een aantal notities over nog te realiseren wijzigingen konden door de dood van de schrijver niet meer worden verwerkelijkt. Mede daaraan is het te wijten dat allerlei varianten in bepaalde tekstgedeelten niet meer in overeenstemming konden worden gebracht met tekstgedeelten waarop ze teruggrijpen, dan wel vooruitlopen. Het zijn er tientallen.

Na Boelgakovs verscheiden verkeerde Jelena Sergejevna in een situatie vergelijkbaar met die van Osip Mandelstams weduwe Nadezjda, met dit verschil dat de laatste al het ongepubliceerde werk van haar in ongenade gevallen man uit het hoofd moest leren, omdat het in bezit hebben van zijn manuscripten haar leven in gevaar kon brengen. Men moet er maar niet aan denken wat gebeurd zou zijn als Jelena Sergejevna bezoek had gekregen van "een der Moskouse instellingen", zoals Boelgakov de geheime politie noemt.

Wat Boelgakov zijn weduwe naliet was niet minder dan een textologische chaos en daarmee moest zij als zijn eerste tekstbezorger aan de slag. Om veiligheidsredenen was er geen denken aan dat zij dit werk aan anderen kon overlaten, maar wat haar vooral kwalificeerde was het feit dat zij vanaf 1932 alle ontstaansfasen actief had begeleid, zoals Margarita het ook doet in de roman.

Men zou de haar nagelaten tekst nog het best kunnen vergelijken met een handgeschreven muziekpartituur waarin de nodige mollen, kruisen, rusten en maatstrepen ontbreken. Een goede tekstbezorger kan die muzikale punctuatie zonder veel moeite invullen. Moeilijker, zo niet ondoenlijk, wordt het als de componist aanvankelijk ingevoerde neventhema's in de reprises en doorwerkingen vergeet te herhalen, of ze daarin juist laat staan, terwijl hij ze in de eerste expositie geschrapt heeft. Zo speelt de vampierheks Hella, door Satan duidelijk aan Margarita als zeer gewaardeerd lid van zijn gevolg voorgesteld, een niet onaanzienlijke rol in het boek, maar zij ont-breekt in het gevolg als Woland, Korovjev, Azazello en Behemoth met de meester en Margarita van de Mussenheuvels opstijgen, terwijl de eerste drie tijdens de daaropvolgende vlucht een opvallende transformatie doormaken, en ook de verdere lotgevallen van de in de roman optredende personages in de Epiloog uitvoerig uit de doeken worden gedaan. Hier wreekt zich mogelijk het feit dat Boelgakov behalve zijn Margarita geen kritische meelezers had, om redenen die niet moeilijk te gissen zijn.

Tussen 1946 en 1966 heeft Jelena Sergejevna zes pogingen gedaan om het boek door de censuur te krijgen, alle tevergeefs. (Wel lukte het haar dit in 1962 met Het leven van de heer Molière, dertig jaar na de voltooiing daarvan.)

Eindelijk publiceerde een van de dikke tijdschriften, Moskva, in zijn decembernummer 1966 Boek 1 in een door de censuur zwaar gehavende lezing. Het januarinummer van 1967 wist van geen Boelgakov meer af. Boek 2 verscheen tenslotte in februari. Dit uitstel wettigt alle argwaan, en terecht naar achteraf bleek: waren in Boek 1 eenentwintig passages geschrapt, in Boek 2 vielen er honderdachtendertig aan de schaar van de censor ten offer, zo'n twaalf procent van de hele tekst. Niet alleen politiek gevoelige passages sneuvelden. Ook de goede zeden eisten hun tol; alle verwijzingen naar vrouwelijk naakt - en het zijn er wat - werden, en dit niet met redenen omkleed, naar een betere wereld geholpen, evenals de inderdaad pittige taal die Margarita uitslaat na haar hekswording. Zinnen werden zodoende uit elkaar gerukt en vaak tot overstaanbaarheid verhaspeld.

De eerst verschenen vertalingen berustten op deze zwaar corrupte tekst, maar zorgden niettemin voor een literaire sensatie op wereldschaal. Voor mijn eerste, in 1968 bij De Arbeiderspers verschenen vertaling beschikte ook ik over de Moskva-tekst, maar daarnaast ook over een niet altijd even leesbare kopie van wat wel een typoscript van Jelena Sergejevna geweest zal zijn, minus de coupures. In hoeverre de twee teksten verschilden kan ik nu niet meer nagaan. Maar naast die twee teksten beschikte ik over de iets later bij Scherz Verlag in Zürich verschenen uitgave van alle geschrapte tekstgedeelten, vaak niet meer dan een enkel woord of een halve zin, maar ook forse lappen tekst. Deze uitgave berustte, naar ik later vernam, op een al snel na de Moskva-uitgave in de Sovjetunie circulerende samizdat- publicatie. De vertaling maakte ik in Rome en daar had ik het geluk dat halverwege mijn werk een Italiaanse versie verscheen waarin al die losse tekstgedeelten op de juiste plaats in het geheel waren geïntegreerd - de Scherz-uitgave gaf namelijk niet aan waar ze thuishoorden. In de Nederlandse uitgave werden deze fragmenten cursief afgedrukt, zoals ook in de een jaar later verschenen Russische uitgave van Posev (Frankfurt 1969). Over deze ingreep schreef ik in mijn nawoord bij de eerste Nederlandse uitgave:

«Een werk dat van zo elementaire [menselijke] standpunten uitgaat laat zich vrijwel niet censureren, omdat zij er de desem van zijn. Voor de knip- en plakbelusten blijven slechts de moeilijkst te verteren krenten ter verwijdering over. In deze uitgave zijn ze niet alleen weer op hun plaats teruggebracht, maar ook werd in overleg met de uitgever besloten ze in de tekst als zodanig aan te geven, waardoor de Nederlandse versie als enige man en paard noemt. Een boek wordt daar uiteraard niet fraaier van, en ook bestaat het gevaar dat de lezer meer aandacht aan de krenten dan aan het gehele brood zal schenken. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling van de schrijver geweest zijn, daar ze voor hem organisch in het geheel thuishoorden. Al te zelden wordt ons echter de kans geboden om te zien hoe de censuur precies werkt. En ook loont het de moeite om stil te staan bij de ongeëvenaarde samenhang van het uitzonderlijk gecompliceerde geheel, die door deze werkwijze nog duidelijker in het oog springt.»

In de dertig sindsdien verlopen jaren is het nodige veranderd. De censuur is opgeheven mét de Sovjetunie als staatsvorm. In Rusland groeit een generatie op voor welke de gruwelen van de Stalinistische periode al zo vervaagd zijn dat voor nieuwe lezers aanvullende aantekeningen in nieuwe uitgaven van De meester en Margarita nodig blijken.

De cursiveringen zijn in mijn nieuwe vertaling opgeheven. Wie erin geïnteresseerd is kan nog altijd een van de vijf drukken van de vorige vertaling raadplegen.

Eigenlijk was er al geen reden meer de cursivering te handhaven in de derde druk van 1975, want in 1973 was er een ongecensureerde uitgave verschenen in Moskou, in een band met De Witte garde en Zwarte sneeuw. Uitgangspunt daarvan was het laatste typoscript van Jelena Sergejevna uit 1963. (Zelf heeft zij de ongecensureerde uitgave niet meer mogen beleven.) Volgens latere tekstbezorgers valt op dat typoscript wel het nodige af te dingen, al was het maar omdat Jelena Sergejevna niet meer beschikte over een compleet exemplaar van de «definitieve» redactie, maar ook omdat de uitgeverij hier en daar eigenmachtig optrad bij het vaststellen van de tekst.

Pas in 1989 kon Lidija Janovskaja bij de Kievse uitgeverij Dnipro een editie uitbrengen die aan strenge textologische eisen voldoet. Voor de vijfdelige Verzamelde werken in de reeks Choedozjestvennaja Literatoera (Moskou 1990) werd de tekst door Janovskaja nogmaals grondig herzien, en die vormt de grondtekst voor deze nieuwe vertaling.

Hoewel het boek geestdriftig werd ontvangen, was ik na kritisch herlezen allerminst tevreden over de vertaling. Ik had die onder hoge druk in een half jaar tijds moeten maken aan de hand van corrupte teksten die me maar al te vaak in verwarring brachten en dat werd er niet beter op toen de Russische uitgave van 1973 verscheen, als gezegd ook al geen brandschone tekst. Uitgeverij De Arbeiderspers voelde er weinig voor op mijn voorstel in te gaan de roman helemaal opnieuw onder handen te nemen; en erg zinvol was dat ook niet zolang er geen werkelijk betrouwbare grondtekst voorhanden was.

Maar er waren meer redenen voor dat voorstel. Charles B. Timmer legde de vinger op «zekere stilistische dartelheden» in mijn vertaling, maar noemde ze nog vriendelijk «défauts de [mes] qualités». Kees Verheul vond terecht dat ik het boek had vertaald met studentikoze overdrijving. En zo kwam het dat er nog drie drukken zouden verschijnen van een tekst waar ik, om het zacht uit te drukken, helemaal niet meer achter stond.

Toen uitgeverij G.A. van Oorschot met het plan kwam voor de uitgave van de Boelgakovs Verzamelde werken in de Russische bibliotheek begreep ik dat mijn kans gekomen was voor een grondige herziening, of zelfs een geheel nieuwe vertaling.

De beslissing om het boek opnieuw te vertalen werd mij vergemakkelijkt door de Belgische slavist J. Rombauts, die mijn vertaling had vergeleken met de Dnipro-uitgave en mij meermalen hele lijsten met door hem geconstateerde afwijkingen toestuurde, waarvoor ik hem hier nogmaals mijn warme dank wil betuigen.

Het openbreken van een zo gecompliceerde tekst als deze bleek geen sinecure. Hiervoor was een resoluter en krachtdadiger hand nodig dan die ik de mijne mag noemen. Het geluk was andermaal met me. Aai Prins, wier vertaling van De Witte garde ik met grote bewondering had gelezen, verklaarde zich bereid de tekst met mij onder handen te nemen, de talrijke ontbrekende of afwijkende passages in te vegen en het boek te zuiveren van al te barokke taal en ongefundeerde leukigheden. Zij zorgde voor een eerste grondige revisie, waarmee ik aan de slag kon, want met een aanpassing hier en daar was de zaak niet gebaat. Daarna deed ik in overleg met haar alles nog eens dunnetjes over en vijf revisies later was het huidige resultaat bereikt. Het is een geheel nieuw boek geworden. Omdat wij konden profiteren van de resultaten van recent tekstonderzoek mag deze vertaling zeker gelden als een van de meest betrouwbare ter wereld. Ook Tom Eekman wil ik hier bedanken; hij heeft de hele tekst nog eens doorgewerkt en er waardevolle kanttekeningen bij gemaakt, waarvan ik dankbaar partij getrokken heb. De verantwoordelijkheid van de slottekst berust geheel bij mij.

Marko Fondse

Marko Fondse (1932 - 1999) was dichter en vertaler Russisch. Hij heeft met zijn werk, waaronder de vertaling van De meester en Margarita, in 1969 de Martinus Nijhoff-prijs gewonnen.



Deze pagina delen |