Het muzikale landschap in de tijd van de tsaren

Nederlands > Context > Muziek > Voorgeschiedenis

Tot de 19de eeuw bestond de Russische muziek voornamelijk uit religieuze muziek en volksmuziek. In de 18de eeuw werden Italiaanse, Franse en Duitse opera’s in Rusland geïntroduceerd, waardoor de opera populair werd bij de aristocratie.

Vanaf de 19de eeuw begon Rusland een eigen bijdrage te leveren aan de wereldmuziek, die haast even belangrijk werd als de Russische bijdrage aan de literatuur. In de eerste helft van de 19de eeuw begon Michail Ivanovitsj Glinka (1804-1857) religieuze muziek en Russische volksmuziek te integreren in klassieke composities. Zijn bekendste opera’s, Roeslan en Ljoedmila en Een leven voor de Tsaar worden algemeen beschouwd als de eerste belangrijke stappen in de ontwikkeling van de Russische klassieke muziek, al waren ze nog sterk geënt op Italiaanse voorbeelden. In De meester en Margarita verwijst Boelgakov naar Glinka door in hoofdstuk 23, op het bal van Satan, ijsberen op te voeren die de kamarinskaja dansen, een dans die Glinka in 1848 in zijn muziek verwerkt had.

In 1859 richtte Groothertogin Jelena Pavlovna (1807-1873) de Russische Muziekvereniging op om de muziek in Rusland op een hoger niveau te brengen en om mogelijkheden voor muzikale opvoeding te creëren. Zij deed dat samen met haar protégé Anton Grigorjevitsj Roebinstein (1829-1894), die met zijn broer Nikolaj Grigorjevitsj (1835-1881), invloedrijke conservatoria oprichtten in Moskou en Sint-Petersburg.

In de tweede helft van de 19de eeuw werden de pogingen van Glinka om niet langer de Europese muziek te imiteren verder gezet door een groep van componisten, die bekend werd als de Могучая Кучка(Mogoetsjaja Koetsjka) of het Machtige Groepje. De groep bestond uit Milij Balakirev (1837-1910), Aleksandr Borodin 1833-1887), Modest Moesorgskij (1839-1881), César Cui (1835-1918) en Nikolaj Rimskij-Korsakov (1844-1908). Zij wilden opkomen tegen tegen het conservatisme van de Russische Muziekvereniging met een groot aantal werken die thematisch gebaseerd waren op de Russische geschiedenis en legenden, en muzikaal op de volksmuziek en de religieuze muziek. Wellicht de bekendste werken waren de symfonische suite Sheherezade van Rimskij-Korsakov, de opera Boris Godoenov van Moesorgskij en de opera Prins Igor van Borodin.

Iemand die buiten deze groep opereerde was Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893), die een groot aantal symfonieën, opera’s en balletten heeft geschreven die eerder aanleunden bij de Westerse muziek. Tot zijn bekendste werken horen de balletten Het zwanenmeer, De schone slaapster en De notenkraker. In hoofdstuk 4 van De meester en Margarita vermeldt Boelgakov de opera Jevgeni Onegin van Tsjaikovski wanneer hij Ivan Bezdomny’s jacht op de bende van Woland beschrijft.

Op het einde van de 19de eeuw vond de generatie van Tsjaikovski en het Machtige Groepje opvolging in Sergej Vasiljevitsj Rachmaninov (1873-1943), een pianist en componist die naar Duitsland emigreerde in 1906, Aleksandr Konstantinovitsj Glazoenov (1865-1936), die emigreerde in 1928 en de vernieuwer Aleksandr Nikolajevitsj Skrjabin (1872-1915), die elementen van mysticisme en literair symbolisme opnam in zijn werken voor piano en orkest.

In de 20ste eeuw bracht Rusland nog meer invloedrijke muzikanten en componisten voort, ondanks het feit dat het Sovjet regime zowel de muziek als de uitvoeringen onderdrukte. Veel artiesten emigreerden, sommigen deden dat vrijwillig, anderen onder druk. Maar ook het werk van de émigrés bleef het publiek aanspreken.

Igor Fjodorovitsj Stravinski (1882-1971), waarschijnlijk één van de meest bekende Russische componisten van de 20ste eeuw, emigreerde definitief in 1920 nadat hij zijn drie bekendste werken had gecomponeerd: de balletten De vuurvogel, Petroeska en Le Sacre du Printemps.



Deze pagina delen |