Het Zilveren Tijdperk
Nederlands > Context > Literair > Het Zilveren Tijdperk
Het begin van de 20ste eeuw wordt in de Russische literatuur vaak beschreven als het Zilveren tijdperk van de Russische poëzie. In de literatuur stond deze periode aanvankelijk vooral in het teken van het symbolisme en belangrijke vertegenwoordigers, die vooral l’art-pour-l’art propageerden, waren onder meer de dichter Aleksandr Blok (1880-1928) en Andrej Belij (1880-1934), waarvan de roman Sint-Petersburg wellicht het bekendste werk is. In De meester en Margarita refereerde Mikhail Boelgakov een drietal keer naar details uit het werk van deze laatste.
In 1910 ontstond dan weer het acmeïsme, een beweging die zich tegen het symbolisme afzette. De acmeïsten streefden in hun verzen naar opperste helderheid. Acmeïsme komt van het Griekse woord ακμή (akmi) dat hoogtepunt betekent. De beweging begon als Цех поэтов (Tsech pojetov) of Dichtersgilde, naar de middeleeuwse gilden. De oprichters van het Dichtersgilde waren Nikolaj Goemiljov (1886-1921, dichter en echtgenoot van Anna Achmatova (1889-1966), en Sergej Gorodetskij (1884-1967). De groep kwam aanvankelijk bijeen in Café De Verdwaalde Hond in Sint-Petersburg, destijds een belangrijk ontmoetingscentrum voor kunstenaars en schrijvers. De gedichtenbundel Камень (Kamjen) of De steen van Osip Mandelstam (1891-1938) uit 1913 wordt beschouwd als het hoogtepunt van het acmeïstische streven.