Schrijvers uit de Sovjet-tijd

Nederlands > Context > Literair > Schrijvers uit de Sovjet-tijd

De tijdgenoten van Boelgakov

Net zoals de muziek en de grafische kunsten, kende de literatuur in de eerste jaren van het Sovjetregime een sterke experimenteerdrift waarin gezocht werd naar nieuwe vormen. Aanvankelijk hadden de avant-gardisten en de futuristen, met de dichter Vladimir Vladimirovitsj Majakovski (1893-1930) als een van de belangrijkste voormannen, nog een grote invloed, onder meer vanuit hun beweging met het gelijknamige tijdschrift Левый фронт искусств (ЛЕФ) [Levi Front Iskoesstv] (LEF) of Linkse Front der Kunsten.

Het einde van deze experimenteerperiode uit de jaren twintig, met haar vele bewegingen en groeperingen, werd gemarkeerd door de zelfmoord van Majakovski in 1930 en werd definitief bezegeld met de oprichting van de Союз советских писателей [Sojoez sovietskich pisatelej] of Bond van Sovjetschrijvers in 1932. Het was één van de vele instrumenten waarmee de Communistische Partij het creatieve proces wou beïnvloeden vanaf het eerste moment van de artistieke inspiratie.

Lees hier meer over hoe de Sovjet-Unie de literatuur controleerde

Vanaf toen werd het sociaal realisme de enige nog toegestane stijl. De censuur vierde hoogtij. Er ontstonden grosso modo drie soorten auteurs: zij die  het Sovjetoptimisme en de verheerlijking van de vooruitgang kritiekloos beschreven, zij die in het geheim verboden literatuur schreven, en zij die naar het buitenland emigreerden.

Majakovski liet zijn experimenteerdrift varen en werd een sovjetpoëet die daardoor een vrij grote bewegingsvrijheid genoot. Michail Boelgakov, die een haat-liefde verhouding met Majakovski had, hekelde hem in De meester en Margarita door hem op te voeren als het personage Aleksandr Rjoechin. Omdat Stalin hem slechts als een lakei van het regime zag, raakte Majakovski meer en meer gefrustreerd en, ook onder de druk van een ruchtmakende driehoeksverhouding, pleegde hij zelfmoord in april 1930.

Lees hier meer over de relatie tussen Majakovski en Boelgakov

Ook Maksim Gorki (1868-1936) had een grote bewegingsvrijheid. Hij was eerst een toegewijd socialist en een goede vriend van Vladimir Iljitsj Lenin (1870-1924) geweest, maar na 1917 veroordeelde hij de staatsterreur van de bolsjevieken en emigreerde hij naar Italië. Na de dood van Lenin herzag hij echter zijn standpunten en in 1931 keerde hij definitief terug. Hij schreef een positief essay over het Solovetski kamp, een voorloper van de Goelag-kampen, en werd in 1935 hoofd van de Bond van Sovjetschrijvers. Daarmee werd hij een machtig man en protegé van Stalin. Het was Maksim Gorki die in zijn toespraak op het eerste congres van de Sovjetschrijvers in 1935 de artistieke doctrine van het sociaal realisme afkondigde.

Een andere schrijver die zeer trouw was aan Stalin was Michail Aleksandrovitsj Sjolochov (1905-1984), de schrijver van de beroemde roman De Stille Don, die de Nobelprijs voor Literatuur won in 1965. Er werd gezegd dat Sjolochov deze roman had gestolen van een kozakkenofficier die was gesneuveld. Men kon niet geloven dat zulke jonge en onintelligente man zo'n fantastisch boek had geschreven. Sjolochov was in alle betekenissen de schrijver van Stalin. Stalin had hem gepromoveerd, en dreigde iedereen te arresteren die slechte dingen over Sjolochov durfde te beweren. Het auteurschap van De Stille Don werd een van de grootste literaire raadsels van de eeuw. Veel critici, waaronder Aleksandr Isajevitsj Solsjenitsyn, verdedigden de stelling dat de ware auteur van de roman Fjodor Dmitrjevitsj Krioekov (1870-1920) was, een kozak en anti-bolsjeviek die aan buiktyfus overleed in 1920.

Andere schrijvers die, zoals Michail Boelgakov, de ideeën van de Sovjets verafschuwden, maar die toch in de Sovjet-Unie bleven, hadden vaak moeite om hun werk gepubliceerd te krijgen. Toch schreven zij enkele van de grote klassieke literaire werken van de twintigste eeuw, die echter pas veel later werden gepubliceerd. Naast De meester en Margarita is het bekendste bijvoorbeeld ongetwijfeld Dokter Zjivago van Boris Leonidovitsj Pasternak (1890-1960), dat in 1957 in Italië werd gepubliceerd en dat een jaar later de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Geïntimideerd door een hetze vanuit de Bond van Sovjetschrijvers zag Pasternak uiteindelijk zogezegd vrijwillig van de prijs af.

Het bekende schrijversduo Iehiel-Leyb Arnoldovitsj Faynzilberg (1897-1937) en Jevgeni Petrovitsj Katajev (1903-1942), beter bekend als Ilja Ilf en Jevgeni Petrov, ontmoette elkaar bij de tijdschriften Goedok en Morjak. Ze begonnen samen te schrijven en werden bekend met de vermakelijke roman De Twaalf Stoelen (1928) en het vervolg daarop, Het Gouden Kalf (1931). In 1936 trokken ze door de Verenigde Staten, wat een nieuw boek opleverde, Amerika Éénhoog.

Onder de émigrés neemt de dichteres Marina Ivanovna Tsvetajeva (1892-1941) een bijzondere plaats in. Zij vluchtte na de burgeroorlog in 1922 naar het buitenland. Na drie jaar in Praag te hebben gewoond, vestigde zij zich in 1925 in Parijs. Omdat ze echter veel sympathie voelde met Majakovskij, en ook met hem correspondeerde, geraakte ze vereenzaamd in het Westen zodat ze in 1939 terugkeerde naar Moskou. Zowel haar echtgenoot Sergej Jakovlevitsj Efron (1893-1941) als haar dochter Ariadna Efron (1912-1975) werden in 1941 gearresteerd. Tijdens hun verblijf in het beuitenland werd haar echtgenoot gerecruteerd door de NKVD, maar bij hun terugkeer werd hij gearresteerd en gefusilleerd. Haar dochter werd verbannen naar Siberië. Uitendelijk pleegde Tsvetajeva zelfmoord. Zij was de dochter van professor Ivan Vladimirovitsj Tsvetajev (1847-1913), die het Poesjkin Museum in Moskou, dat werd geopend in mei 1912, had opgericht.

Vladimir Vladimirovitsj Nabokov (1899-1977) was een vriend van Tsvetajeva. Hij was een zoon van een welgestelde familie uit Sint-Petersburg en sprak vloeiend Frans en Engels. Na de Bolsjevistische machtsgreep emigreerde hij naar Groot-Brittannië, om dan via Berlijn en Parijs naar de Verenigde Staten te gaan. Zijn vroege werk is geschreven in het Russisch, later begon hij in het Engels te schrijven en beschouwde hij zich als Amerikaans romancier. Zijn bekendste werk is de geruchtmakende roman Lolita uit 1955, die de uitzinnige liefde van een veertigjarige intellectueel voor een jong Amerikaans meisje beschrijft.

Twee andere Russische émigrés wonnen de Nobelprijs voor Literatuur. Ivan Boenin (1870-1953) was in 1933 de eerste Russische Nobelprijs winnaar voor Het leven van Arsenjev, een sterk autobiografische roman die handelt over het leven van de verarmde adel in Rusland rond 1900. De dichter Josif Brodskij (1940-1996), die de prijs kreeg in 1987, was in 1972 uitgewezen en vloog via Wenen naar de Verenigde Staten, waar hij de rest van zijn leven bleef wonen, gescheiden van vrouw en kind.


De schrijvers na de Stalinperiode

Na de dood van Josif Stalin in 1953, tijdens de bewindsperiode van Nikita Sergejevitsj Chroestsjov (1894-1971), volgde een periode van relatieve dooi in de Sovjetliteratuur.

Eén van de eersten die daarvan kon profiteren was Grigori Jakovlevitsj Baklanov (1923-2009), geboren Friedman. Hij werd bekend door zijn oorlogsroman Een voetbreed aarde (1958), waarin hij de Sovjet-soldaat beschreef tussen twee vuren: de vreemde vijand en de eigen vijand. Hoewel de Sovjet-autoriteiten vonden dat hij te naturalistisch schreef, kreeg hij toch de Staatsprijs van de Sovjet-Unie voor zijn gehele œuvre in 1982. Van 1986 tot 1993, ten tijde van de hervormingen onder Michail Sergejevitsj Gorbatsjov (°1931), speelde hij een belangrijke rol als hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Знамя [Znamja] of De banier. Znamja oefende veel invloed uit op de glasnost die Gorbatsjov voorstond. Het tijdschrift publiceerde werken die eerder onder de communistische censuur sneuvelden en maakte misdaden, begaan onder de heerschappij van Stalin, openbaar. In 1993 werd Znamja omgezet in een fonds.

Anatoli Naumovitsj Rybakov (1911-1998) was reeds een geprezen auteur in de Stalinperiode. Hij won de Stalinprijs in 1948 en 1951 en genoot ook bekendheid als schrijver van kinderboeken. Het best is hij bekend door een semiautobiografisch vierluik, dat begon met Kinderen van de Arbat. Het boek werd geschreven in de jaren ’50 maar kon pas in 1987 verschijnen. Het beschrijft de eerste golf van vervolgingen in de Stalin-periode, van 1933 tot 1935. Het werd al snel een icoon van de Glasnost. De volgende boeken waren 1935 en volgende jaren (1989), Angst (1990)en Stof en as (1994).

Eén van de bekendste schrijvers uit de periode na Stalin was ongetwijfeld Aleksandr Isajevitsj Solzjenitsyn (1918-2008) die in 1970 de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg. Dank zij zijn monumentale werk De Goelag Archipel (verschenen in Parijs tussen 1973 en 1975) kon de buitenwereld kennisnemen van de Goelag  werkkampen in de Sovjet-Unie. Eerder had hij reeds in Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj over de Goelag geschreven. In 2007 kreeg hij de Staatsprijs van de Russische Federatie, die hem wegens zijn zwakke gezondheid thuis persoonlijk werd overhandigd door de toenmalige Russische president Vladimir Poetin, een ex-officier van de KGB, de organisatie die hem het leven zo zuur had gemaakt.



Deze pagina delen |