Kunstenaars en censuur

Nederlands > Context > Literair > Kunstenaars en censuur

Narkompros, Glavlit, Glavrepertkom en de anderen

Schrijver zijn in de tijd van Boelgakov was geen gemakkelijke opdracht. Ofwel schreef je volgens de door de partij voorgeschreven regels - en over de door haar opgelegde onderwerpen - ofwel kreeg je te maken met censuur of, erger nog, arrestatie, deportatie of executie.

Een eerste belangrijke instantie die een belangrijke rol speelde in de censuur in de Sovjetunie was het Народный комиссариат просвещения [Narodi Kommissariat Prosvesjtsjenija] of het Volkscommissariaat voor Verlichting. Over de vertaling daarvan kan gediscussieerd worden, want het woord просвещение [prosvesjtsjenije] betekent ook onderwijs, voorlichting en beschaving. In elk geval: het Narkompros was de Sovjetadministratie die bevoegd was voor de nationale opvoeding en andere domeinen in verband met cultuur en wetenschappen. Van na de Oktoberrevolutie tot in 1929 stond de criticus en journalist Anatolij Vasiljevitsj Loenatsjarski (1875-1933) aan het hoofd van deze organisatie. Loenatsjarskij beschermde aanvankelijk de avant-garde artiesten zoals Vladimir Vladimirovitsj Majakovski (1893-1930), Kazimir Severinovitsj Malevitsj (1879-1935) en Vladimir Jevgrafovitsj Tatlin (1885-1953). Hij hielp onder meer zijn schoonbroer Aleksandr Aleksandrovitsj Bogdanov (1873-1928) om de пролетарская культура [proletarskaja koeltoera] of proletarische cultuur, afgekort tot пролеткульт [proletkoelt], op te richten, een beweging die de basis wou leggen voor een echte «proletarische kunst», wars van alle «bourgeoisinvloeden». Maar Loenatsjarski hielp ook om de eerste vormen van censuur in de Sovjetunie te organiseren. Hij was een overtuigd tegenstander van Boelgakov. Toen Stalin zijn macht steeds verder uitbouwde werd Loenatsjarski echter weggepromoveerd om te eindigen als ambassadeur in Spanje.

Het Narkompros bestreek verschillende domeinen. Naast de normale afdelingen die zich bezighielden met onderwijs en opvoeding in het algemeen, beheerde het ook de zogenaamde Главное управление по делам литературы и издательств (Главлит) [Glavnoje oepravlenje po delam literatoeri i izdatelstv] (Glavlit) of de Centrale Administratie voor Literatuur en Publicatieaangelegenheden, een sectie die opgericht werd in 1922 en die moest beletten dat er staatsgeheimen zouden kunnen gepubliceerd worden en die bijgevolg ook verantwoordelijk was voor het censureren van wat gepubliceerd werd.

Een andere afdeling van het Narkompros, het Главный репертуарный комитет (главрепертком) [Glavni repertoaarni komitet] (Glavrepertkom) of het Centraal Comité voor de Repertoires, werd opgericht in 1923 en moest het repertoire voor de podiumkunsten goedkeuren. Vooral met het Glavrepertkom had Boelgakov veel last. Keer op keer verboden ze de theaters waar hij stukken in voorbereiding had om deze ook op te voeren.

Sinds 1927 functioneerde ook het zogenaamde Главное управление по делам художественной литературы и искусства (Главискусство) [Glavnoje oepravlenje po delam choedozjestvennoj literatoeri i iskoesstva] of Centraal Directoraat voor Literatuur- en Kunstzaken (Glaviskusstvo) om de activiteiten van de verschillende over het Narkompros verspreide administraties te coördineren.

In 1936 werden de censuurautoriteiten aangevuld met het Управления театральных зрелищных предприятий (УTЗП) [Oepravlenija teatralnich zrelisjtsjich predpijati] (UTZP) of Directoraat voor Theater- en Amusementsondernemingen (UTZP) dat bedoeld was als één agentschap bevoegd voor alle theatergezelschappen - hun aantal werd toen op 900 geschat. In Moskou bestond ook nog het lokaal bevoegde Управления Московских зрелищных предприятий Наркомпроса (УМЗП) [Oepravlenija Moskovskikh zrelisjtsjich predpijati Narkomposa] (UMZP) of Directoraat voor Theaterondernemingen van Moskou van de Narkompros.

Het UTZP en het UMZP waren, samen met het Glavrepertkom, gevestigd aan de Чистые пруды (Tsjistije Proedi) of de Schone Vijvers, waar Boelgakov in De meester en Margarita de fictieve Akkoestische Commissie der Moskouse Schouwburgen van de zelfingenomen schuinmarcheerder Arkadi Appolonovitsj Semplejarov situeerde.

Naast de door het Narkompros gedirigeerde organisaties kon het werk van schrijvers ook nog gecontroleerd of gecensureerd worden door andere instellingen zoals bijvoorbeeld de Объединение государственных книжно-журнальных издательств (ОГИЗ) [Obedinenje gosoedarstvennich knizjno-zjoernalnich izdatelstv]] (OGIZ) of de Staatsunie van Boek- en Tijdschriftenuitgevers, die rechtstreeks onder de bevoegdheid van de de Raad van Volkscommissarissen opereerde, en ook nog door de Государственного объединения музыки, эстрады и цирка (ГОМЕЦ) [osoedarstvennogo obedinenija moezyki, estradi i tsirka] (GOMEC) of Staatsunie voor Music-Hall, Concert- en Circusondernemingen.

Bovendien had ook de geheime dienst van het NKVD in 1920 een bureau opgericht voor de controle van literatuur, Dat werd Литконтроль [Litkontrol] genoemd en moest «waken over het leven, de creatieve arbeid, de gemoedstoestand, de vriendschappen en de uitlatingen van alle Sovjetschrijvers».

Sociaal Realisme en de Schrijversbond

De ideologie van de Communistische Partij wou het creatieve proces beïnvloeden vanaf het eerste moment van de artistieke inspiratie. De partij moest de muze van de artiest zijn. Daarom werd in 1932 het Sociaal Realisme als enige aanvaardbare esthetische vorm ingevoerd. De verdiensten van een kunstwerk werden afgemeten aan de mate waarin het bijdroeg tot de opbouw van het socialisme bij de massa. Op het vlak van literatuur werd, ook in 1932, bij een decreet van de Partij, de Союз советских писателей [Sojoez sovjetskich pisatelej] of Bond van sovjetschrijvers opgericht om de literatoren in het gareel van het marxisme-leninisme te brengen. Deze bond verving de Российская ассоциация пролетарских писателей (РАПП) [Rossiskaja assotsiatsija Proletarskich Pisatelej] (RAPP) of Russische Associatie van Proletarische Schrijvers die in 1925 was opgericht. Het eerste Congres van de Schrijversbond, voorgezeten door Maksim Gorki, vond plaats in 1934. De Schrijversbond was één van de vele artistieke bonden of творческие союзы [tvortsjeskije sojoezi] die de Sovjetunie kende. Deze bonden waren zogenaamd «vrijwillige» verenigingen, vergelijkbaar met vakbonden, maar volledig onder controle van de Partij. Meer nog: ze oefenden de controle uit over de activiteiten van hun leden.

Het dient gezegd: onder de invloed van Proletkoelt (zie hierboven) speelden Russische kunstenaars een voortrekkersrol in tal van internationale kunstbewegingen zoals het constructivisme en het kubisme. Maar het Sociaal Realisme betekende meteen het einde van die rol.

Het Государственный комитет по делам издательств, полиграфии и книжной торговли СССР (Госкомиздат) [Godoedarstvenni komitet po delam izdatelstv, poligrafi i knizjnoj torgovli SSSR] (Goskomizdat) of Staatscomité voor Uitgeverijen, Drukkerijen en Boekhandel in de Sovjetunie (Goskomizdat) nam, samen met het secretariaat van de Bond van sovjetschrijvers, alle beslissingen over publicaties. Zelfs het verstrekken van papier werd een verborgen vorm van het censuurmechanisme. Dat verklaart waarom Boelgakov, wanneer hij in de roman Pilatus aan Mattheus Levi doet vragen of hij niets van hem wil aannemen, deze laatste laat antwoorden: «Laat me een onbeschreven stuk perkament bezorgen».

De sociale opdracht

Het beleid tegenover literatuur dat door de communistische partij werd aangenomen in 1928 wordt gekenmerkt door de term Социальный заказ [sotsialnij zakaz] of sociale opdracht. Het lag in de lijn van het eerste Vijfjarenplan, en de uitwerking werd verzekerd door RAPP en de uitgeverijen. Onder dit beleid werden specifieke thema’s opgelegd aan schrijvers met het doel de socialistische opbouw te stimuleren. De leiders van de Bond van sovjetschrijvers steunden het behandelen van historische thema’s, tenminste voor zover ze waren geschreven vanuit de juiste marxistische visie. Het thema dat Bezdomny in opdracht van Berlioz moest behandelen hield bijvoorbeeld verband met de staatsideologie in verband met godsdienst en geloof.

Boelgakov neemt deze sociale opdracht specifiek op de korrel wanneer zijn held, de meester, zich herinnert dat de redacteur van de uitgeverij waaraan hij zijn manuscript had aangeboden, hem de zijns inziens volkomen idiote vraag stelde «wie hem had aangezet tot het schrijven van een roman over zo’n vreemd onderwerp». Een roman over Pontius Pilatus behoorde duidelijk niet tot zijn sociale opdracht.



Deze pagina delen |