Aleksandr Rjoechin

Nederlands > De personages > Personages in Moskou > Aleksandr Rjoechin

Rol

De dichter Aleksandr Rjoechin is een lid van MASSOLIT. Hij is één van de drie aanwezigen in Gribojedov die de als een zuigeling ingebakerde, huilende en spugende Ivan Nikolajevitsj afvoeren naar de kliniek van dokter Stravinski. Hij is het die Ivans symptomen aan de dokter beschrijft, maar plots twijfelt of Ivan wel gek is. Maar Ivan heeft het niet op hem. Hij zegt dat "die talentloze klungel van een Sasjka Rjoechin wel de ergste is van allemaal". Rjoechin ademde zwaar, zag rood en werd alleen nog in beslag genomen door de gedachte dat hij een adder aan zijn borst had gekoesterd en zich het lot had aangetrokken van een man die zich bij nader inzien als een doodsvijand ontpopte. En wat het ergste was: ieder verweer was uitgesloten, want met geesteszieken twist je niet.

Op de terugrit naar Moskou blijven de woorden van Ivan Bezdomny door zijn hoofd spoken. Het erge was niet dat ze grievend waren geweest, maar «dat ze de waarheid behelsden". Bij het passeren van «een metalen man op een hoge sokkel die met licht nijgend hoofd en ongeïnteresseerd over de boulevard keek» - bedoeld wordt het standbeeld van de beroemdste Russische dichter Poesjkin - komt alle frustratie los. «Daar heb je nou een voorbeed van puur geluk» dacht Rjoechin en hij balde agressief de vuist in de richting van de gietijzeren man. «Puur geluk, bij elke stap die hij in zijn leven deed».

Achtergrond

Door het gesprek met het standbeeld van Poesjkin maakt Boelgakov duidelijk voor wie Rjoechin staat. Het gaat om Vladimir Vladimirovitsj Majakovski (1893-1930) die in 1924, ter gelegenheid van de viering van de 125ste verjaardag van Poesjkin's geboorte, het gedicht Jubeljarig schreef waarin hij 's nachts Poesjkin van zijn sokkel aan Tverskaja bulvar licht en hem op een wandeling deelgenoot maakt van zijn inzichten.

Klik hier om Jubeljarig in het Russisch te beluisteren

Boelgakov en Majakovski biljartten vaak samen. Majakovski was beter en de partijen werden steevast gekenmerkt door treiterige dialogen tussen beide auteurs. Maar, ongeacht wie won, ze namen steeds vriendschappelijk afscheid van elkaar. De tweede vrouw van Boelgakov, Ljoebov Evgenjeva Belozerskaja, vond Majakovski «gesloten als een steen». In 1928 zou Vladimir Majakovski mee oproepen tot het verbieden van De dagen van de Toerbins en zou hij hem een klassevijand noemen.

De ruzie tussen Rjoechin en Ivan Bezdomny in de roman is een parodie op de zeer wisselvallige relatie en de vijandigheid tussen Majakovski en een andere dichter, Aleksandr Iljitsj Bezymenski (1898-1973). Het pseudoniem Bezymenski betekent de Naamloze , wat de theorie voedt dat Bezymensky het echte prototype van Ivan Bezdomny, de Dakloze, zou kunnen zijn. In eerste instantie was Majakovski Bezymenski's idool, maar het gevoel was niet wederzijds. Majakovski vergeleek Bezymensky's werk met «koffie gemaakt van wortelen». Met «wortelen» bedoelde hij «cichorei». Cichorei wordt vaak gebruikt als een substituut voor koffie, dus Majakovski beschouwde Bezymenski als ersatz, niet als een echte literaire man.



Deze pagina delen |