Ontstaansgeschiedenis

Nederlands > De roman > Ontstaansgeschiedenis (vervolg)

Tweede versie (1928-1929)

De tweede versie van de roman vertoont geen drastische wijzigingen ten opzichte van de eerste. Aan de eerste vier hoofdstukken worden enkele fragmenten toegevoegd en hoofdstuk 7 eindigt met de geschiedenis van Poroty, die later Bosoj wordt. Ook de buffetmeester en het behekste koor doen hun intrede. De geschiedenis van Pilatus en Jezus wordt met enkele episodes zoals de dood van Jehoeda uitgebreid en de gedachtengangen van Pilatus worden ook meer uitgediept.

In de lente van 1930 vernietigde Boelgakov de eerste twee versies van zijn roman. Het was de periode dat zijn toneelstukken volledig werden verbannen en dat hij zijn brief aan de Sovjetregering schreef. Hij vroeg om naar het buitenland te mogen gaan of tenminste, zoals hij het uitdrukte: «een betrekking te krijgen in mijn specialiteit en me aan een theater te verbinden in de functie van regisseur». Op 17 oktober belde Stalin hem persoonlijk op en enkele weken later werd Boelgakov assistent-regisseur in het Moskouse Kunsttheater MKhAT. In zijn brief maakte Boelgakov een allusie op De Hoef van de Ingenieur: «En ik heb hoogstpersoonlijk, met mijn eigen handen, het klad van een roman over de duivel in het vuur gegooid».

Het boek was dus nog gewoon «een roman over de duivel». De meester en Margarita kwamen er nog niet in voor en de hoofdrol was voor Woland.

Derde versie (1932-1934)

Het zou tot de lente van 1931 duren eer Boelgakov zijn roman over de duivel weer opnam, al was het zonder veel enthoesiasme. Het werk in het Moskouse Kunsttheater gaf niet echt voldoening en Elena Sergejevna Sjilovskaja (1893-1970), met wie hij een relatie was begonnen, had met hem gebroken op aandringen van haar echtgenoot. Uit die tijd dateren twee dunne schriftjes getiteld Kladjes van de roman 1929-1931, die de voorbereidingen bevatten voor de derde versie. De dichter Rjoechin doet zijn intrede en er is een schets te zien van één van de laatste hoofdstukken, waarbij genoteerd staat: «Heer, help mij om mijn roman te beëindigen, 1931».

In een fragment dat De Vlucht van Woland heet toont de zin «Je zal er Schubert ontmoeten en de heldere ochtenden» impliciet aan dat er een personage aanwezig is dat nog niet benoemd werd maar dat de meester zou worden. In 1931 werd de term meester nog aan Woland toegekend. Hij zal pas in 1936 aan Margarita's geliefde worden gegeven wanneer de meester de verteller wordt van de laatste fragmenten van het Pilatus-verhaal. Ook de naam van Margarita komt voor het eerst voor in de zin «... zei Margarita passioneel».

Deze derde versie is de langste en meest ingewikkelde. Boelgakov begon er terug echt aan te werken in oktober 1932 tijdens een reis naar Leningrad. Hij was daarheen gereisd met Elena Sergejevna, met wie hij net getrouwd was. Hij begon eraan zonder zijn kladjes en zijn aantekeningen. «Ik ken hem uit het hoofd», zei hij tegen Elena Sergejevna. Dat zou een zin worden die in de uiteindelijke versie van de roman ook door de meester wordt gebruikt.

Het werk zou, met vele onderbrekingen, duren tot de herfst van 1936. Er doemden nieuwe mogelijke titels op zoals Большой Канцлер - De Grote Kanselier, Сатана - Satan, Вот и я - Hier ben ik, Шляпа с пером - De Hoed met de Veder, Черный богослов - De Zwarte Theoloog, Он появился - Hij is verschenen, Подкова иностранца - De Hoef van de Vreemdeling, Театральный роман - Theatrale roman en Консультант в копыте - De Adviseur met de hoef.

De naamloze geliefde van Margarita werd aangeduid met Faust of de dichter. Waarschijnlijk was het de naam van Margarita die ook meteen bij Boelgakov de gedachte aan Faust opriep, en was Faust maar een werknaam, want het was alleen in de kladjes dat Boelgakov hem gebruikte.

In één van de varianten uit 1933 vroeg de gehospitaliseerde Ivanoesjka om een Evangelie, waarop Woland 's nachts naast zijn bed kwam zitten om hem zijn Evangelie te vertellen. Maar uiteindelijk werd de naamloze dichter de auteur van een roman die overeenkwam met het Evangelie van Woland, en begon het bijbelse verhaal gefragmenteerd te worden. Stukken ervan werden uit het tweede hoofdstuk gelicht, en verhuisden naar de hoofdstukken 11 en 16. Ook andere ingrepen begonnen te evolueren in de richting van hoe de roman er uiteindelijk zou uitzien. De liefde tussen de meester en Margarita, het vertrek van Margarita naar de sabbat, en de wederverschijning van de meester.

De manuscripten van toen tonen nog hoe de schrijver aarzelde in verband met de volgorde van de scènes en hoe hij nog worstelde met het einde, vooral wat betreft de beloning die de meester moest krijgen aan het einde van de laatste reis. De afloop werd voor het eerst beschreven in juli 1936 in hoofdstuk 37 met de titel De laatste vlucht.

Schuld en lafheid bleven Boelgakov sterk bezighouden. Hij was ervan overtuigd dat alleen een goddelijke genade een einde kon maken aan de kwellingen van zij die, in hun daden of door hun gebrek aan daadkracht, gezondigd hadden. In een belangrijk hoofdstuk uit 1934 dat Genade heette, liet Boelgakov de hele stad Moskou in de vlammen opgaan. Maar deze variant haalde de uiteindelijke versie niet, wellicht ook om politieke redenen. In 1931 was een vergelijkbare scène in het toneelstuk Adam en Eva, over de totale vernietiging van Leningrad, er de oorzaak van dat het stuk niet mocht opgevoerd worden.

In oktober 1934 was de kladversie af. De roman telde 37 hoofdstukken, en een aantekening in de marge, geschreven op 30 oktober, vermeldde: «Af te werken vooraleer te sterven».

Tot in de zomer van 1936 herschreef Boelgakov nog verschillende stukken, tot de derde versie klaar was. De meester werd een sterk autobiografische figuur - Boelgakov schreef een tekst die hetzelfde lot beschoren was als de tekst die zijn held schreef.

Vierde versie (1936-1937)

Einde 1936, begin 1937 startte Boelgakov een vierde versie. Ze telde maar negentig pagina's en het verhaal over Jezus en Pilatus verhuisde weer integraal naar het tweede hoofdstuk onder de titel De gouden lans.

Vijfde versie (1937)

Nog steeds in 1937 komt er een nieuwe versie met op de voorpagina een nieuwe titel: Принц потемок of De Prins van de duisternis. Ze telt 299 pagina's verdeeld over dertien hoofdstukken en wordt onderbroken in hoofdstuk 11 dat Verschijning om middernacht als titel heeft. Het zou later De held van het verhaal doet zijn intrede worden. Boelgakov vermeldt 1928-1937 als datum.

Zesde versie (1937-1938)

In de herfst van datzelfde jaar begon Boelgakov aan een zesde versie die ook 1928-1937 als datum meekreeg. Tot in de lente van het volgende jaar zou hij eraan doorwerken.

De definitieve titel was nu gevonden. Het verhaal van de duivel zou Мастер и Маргарита of De meester en Margarita worden. Realiteit en fictie werden door elkaar verweven tot het resultaat dat we nu kennen, en op 23 mei 1938 was de zesde handgeschreven versie klaar, in zes dikke schriften met dertig hoofdstukken. Het laatste hoofdstuk, getiteld Vergiffenis, had een belangrijke verandering ondergaan. Woland zond de meester immers naar de vijfde procurator van Judea om hem te vervoegen en daar rust te vinden.

Eerste getypte versie (1938-1939)

Op 26 mei 1938 begon Boelgakov eindelijk zijn tekst te dicteren aan de zus van Elena Sergejevna, Olga Sergejevna Bosjkanskaja (1891-1948) - «met haar unieke doorzettingsvermogen», maar hij bleef ondertussen veel dingen wijzigen. Het werk was enorm en de druk was hoog. In zijn brieven aan Elena Sergejevna, die ondertussen in een datsja in Lebedjan verbleef met haar zoon Serjozjka, beschreef Boelgakov op een vaak grappige wijze zijn samenwerking met Olga, die tevens ook de secretaresse was van Vladimir Nemirovitsj-Dansjenko (1859–1943), één van de twee stichters van het Moskouse Kunsttheater MKhAT. Maar op 2 juni 1938 begon het blijkbaar te wegen, want toen schreef hij: «Ik moet de roman beëindigen! Nu! Nu!».

Eén van de wijzigingen is het vermelden waard. Op 14 mei 1939 verscheen Mattheus Levi met de aankondiging «dat de meester niet het licht verdiend had, maar rust». En hij ging dus niet meer mee op de weg naar de maan met zijn held, de vijfde procurator van Judea.

In deze periode begon Boelgakov, die niet inzag hoe de roman ooit gepubliceerd zou geraken, lange uittreksels van zijn roman uit te delen aan zijn vrienden.

Laatste wijzigingen (1939-1940)

Op 4 oktober 1939 was Boelgakov dodelijk ziek en bijna blind, maar hij begon toch nog de laatste wijzigingen te dicteren. Een werk dat zou onderbroken worden bij het begin van het tweede deel, de begrafenis van Berlioz. Uit die periode stammen enkele toevoegingen die duidelijk met de biografische omstandigheden te maken hadden. Het stuk over de ervaringen van dokter Koezmin is daar een voorbeeld van. Dat geldt ook voor de uitbreidingen van het hoofdstuk 19, Margarita, en voor de eerste zin van het laatste hoofdstuk: «Goden, goden mijn! Hoe droevig is de avondlijke aarde».

Op 13 februari 1940 werkte Boelgakov nog een laatste keer aan zijn roman, en op 10 maart overleed hij en kreeg daardoor de roman zijn definitieve vorm.

Vorige Ontstaansgeschiedenis



Deze pagina delen |