Ontstaansgeschiedenis

Nederlands > De roman > Ontstaansgeschiedenis

Inleiding

Michail Afanasjevitsj Boelgakov (1891-1940) begon aan De meester en Margarita te schrijven op het einde van 1928, of in het begin van 1929. Dat kan afgeleid worden uit het feit dat hij de tekst van Мания фурибунда [Manija foeriboenda] of Uitzinnige razernij op 8 mei 1929 onder het pseudoniem K. Toegaj aanbood aan de uitgeverij Nedra. Het ging om het vierde hoofdstuk van De hoef van de ingenieur, de tweede versie van de roman die later bekend zou worden onder de titel De meester en Margarita. De uitgeverij weigerde om de tekst te publiceren.

1929 was het jaar waarin Boelgakovs toneelstukken, het ene na het andere, van de affiches werden verwijderd en hijzelf het doelwit werd van een perscampagne die erop gericht was om hem als schrijver te ruïneren. De uitvoeringen van De dagen van de Toerbins in het Moskouse Kunsttheater MKhAT werden stopgezet. Dat stuk was een theaterbewerking van Boelgakovs roman De witte garde, en werd sinds 5 oktober 1926 met veel succes opgevoerd. Ondanks het feit dat Jozef Vissarionovitsj  Stalin (1878-1953) van dit stuk leek te houden, werd het op 26 februari 1929 afgevoerd. Op dat vlak veranderde er fundamenteel niets in de jaren nadien, want geen enkele van zijn boeken werd nog gepubliceerd en, met uitzondering van zijn bewerking van Dode Zielen en enkele opvoeringen van Molière, haalden zijn toneelstukken het podium niet.

De meester en Margarita werd dus geschreven in een bijzonder donkere politieke context, een op professioneel en menselijk vlak hopeloze situatie. Toen de auteur  in 1931 sporadisch verder werkte aan het boek noteerde hij «1929-1931» op de kaft, maar bij De prins van de duisternis, de zesde versie van de roman uit 1937, schreef hij «1928-1937».

Hij zou er nog langer aan blijven werken, zelfs tot enkele weken vóór zijn dood in 1940. De meester en Margarita zou hem dus vergezellen in de moeilijkste jaren van zijn leven.

De archieven van Michail Boelgakov zijn gedurende lange tijd ontoegankelijk gebleven. Bovendien heeft Boelgakov sommige van zijn kladjes bewaard, maar anderen vernietigd. De eerste twee versies van de roman zijn ons bekend door twee schriften die gedeeltelijk stuk gescheurd waren. Filologe Marietta Omarovna Tsjoedakova (°1937) was de eerste Russische onderzoekster die in 1977 probeerde deze eerste teksten te reconstrueren. Maar de ontstaansgeschiedenis van het boek duurde twaalf jaar, en kende minstens zes verschillende versies, soms zeer complex, en soms tegengesteld aan elkaar. Ze getuigen van heel veel onderbrekingen en verregaande herzieningen.

En er komen soms nog nieuwe ontdekkingen. Een voorbeeld daarvan is het dagboek dat Boelgakov tussen 1921 en 1925 bijhield. Dat was in beslag genomen in 1926, en kwam pas veel later weer boven water. De getypte kopieën werden pas in 1990 gepubliceerd. Het is dus niet uitgesloten dat er nog bronnen opduiken die een verrassende nieuwe kijk op de roman en zijn ontwikkelingen kunnen geven


Een roman over de duivel

In het boek My Life with Mikhail Bulgakov of Mijn leven met Michail Boelgakov, dat in 1968-1969 werd geschreven door Ljoebov Jevgenjeva Belozerskaja (1894-1987), Boelgakovs tweede vrouw, kunnen we lezen dat Boelgakov het idee kreeg om een roman over de duivel in Moskou te schrijven van Natalia Abramovna Ljamina-Oesjakova (1899-1990), de vrouw van zijn beste vriend Nikolaj Nikolajevitsj Ljamin (1892-1941).

Natalia had de omslag ontworpen van het boek Venediktov, of de gedenkwaardige gebeurtenissen in mijn leven, een verhaal van 64 pagina's geschreven door professor Alexander Vasiljevitsj Tsjajanov (1888-1937) in 1922. Ze was verbluft toen ze zag dat de held van Tsjajanovs verhaal de naam Boelgakov droeg. En Michail Boelgakov was «niet minder verbaasd door dit toeval».

Het moet gezegd worden dat sommige elementen van Venediktov inderdaad doen denken aan De meester en Margarita. Het verhaal gaat over de aanwezigheid van Satan in Moskou, de duivel ontmoet de held Boelgakov in het Medox Theater, en Boelgakov bewondert het gigantische Pashkov-huis «waarvan de vooruitstekende bovenkant in de lucht is verdwenen». Belozerskaja vond ook overeenkomsten in zowel de inhoud als linguïstische structuur van het begin van het verhaal van Tsjajanov en Boelgakovs eerste versies van De meester en Margarita van 1928-1929. De gelijkenissen waren voldoende om Belozerskaja tot de conclusie te laten komen: «Ik kan met zekerheid zeggen dat dit korte verhaal aan M.A. het oorspronkelijke idee en de creatieve impuls gaf voor de roman De meester en Margarita».


Boelgakovs bronnen

Boelgakov heeft heel wat bronnen geraadpleegd vooraleer aan De meester en Margarita te beginnen. Hij verdeelde ze in twee rubrieken die hij respectievelijk betitelde als God en De duivel. De belangrijkste waren, naast de canonieke Evangeliën:

The Life of Christ - Farrar, Frederic [en] - 1874
Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet - David Strauss [de] - 1835
La Vie de Jésus - Ernest Renan [fr] - 1863
Le Procurateur de Judée - Anatole France [fr] - 1892
The Gospel of Nicodemus - Nicodemus [en] - 1924
The Brockhaus-Efron encyclopaedia - Russische encyclopedie [ru] - 1906
De geschiedenis van de omgang van de mens met de duivel - Michail Orlov [ru] - 1904

Over alles wat hij las in deze bronnen maakte hij aantekeningen die later op één of andere manier in het boek hun weg vonden - of er weer uit verdwenen.

Op één van zijn originele manuscripten zijn verschillende werktitels te zien die Boelgakov in het hoofd had voor zijn meesterwerk: Великий канцлер [Beliki kantsler] of De grote kanselier, Сатана [Satana] of Satan, Вот и я [Vot i ja] of Hier ben ik, Шляпа с пером Sjljapa s perom] of De hoed met de veder, Черный богослов [Tsjorni bogoslov] of De zwarte theoloog, Он появился [On pojavilsja] of Hij is verschenen, Подкова иностранца [Podkova inostrantsa] of Het hoefijzer van de vreemdeling, Он явился [On javilsja] of Daar heb je hem! Пришествие [Prisjestvie] of De verschijning, Черный маг [Tsjorni mag] of De zwarte magiër en Копыто консультанта [Kopyto konsoeltanta] of De hoef van de adviseur. De titel Вот и я [Vot i ja] of Hier ben ik verwijst naar de uitroep «Me Voici!». Met die uitroep verschijnt de Duivel voor Faust in de gelijknamige opera van Charles Gounod (1818-1893).

Boelgakov had de meeste moeite met het einde van het verhaal, meer bepaald over welke beloning de meester op het einde zou moeten krijgen. Er zijn nog stukken handschrift bewaard waarin hij duidelijk de thematische link legt tussen hemzelf, de meester en Pilatus, en ook tussen de historische passages en de passages in Moskou, maar die haalden de definitieve versie van de roman niet.


1. De zwarte magiër (1928-1929)

De allereerste versie van De meester en Margarita werd teruggevonden in een schrift met de titel  Черный маг. Черновики романа. Тетрадь 1. 1928-1929 гг. [Tsjorni mag. Tsjernoviki roman. Tetrad A. 1928-1929] of De zwarte mangiër. Concepten voor de roman. Notitieboek 1. 1928-1929.

Van deze versie is heel weinig bewaard gebleven. Er waren veel pagina’s uitgescheurd, waardoor er op de meeste vaak maar enkele flarden van woorden of zinnen overbleven. Slechts een twaalftal pagina’s met fragmenten van vijf van de vijftien hoofdstukken waren intact gebleven.

Het is niet meer te achterhalen hoe of wanneer de rest van de pagina’s verdwenen is. In elk geval zien we in wat ervan overgebleven is dat het verhaal doordrongen was van politieke motieven en dat het Boelgakovs antwoord was op de vervolgingen die hij onderging.

Het verhaal begint met een voorwoord van een verteller die in de ik-persoon spreekt. In de beste traditie van de chroniqueurs verontschuldigt hij zich nederig voor zijn onhandigheid en zijn gebrek aan professionalisme. Maar, zoals hij zegt, «de vreemde aard van de gebeurtenissen rechtvaardigen de beslissing om de pen ter hand te nemen en ik zweer op mijn eer, zodra ik de pen ter hand neem om deze monsterlijke gebeurtenissen te beschrijven, voel ik mij doordrongen van een gevoel van verschrikking. Eén zaak verontrust me nochtans en dat is dat ik, omdat ik geen schrijver ben, riskeer van ze niet op een coherente wijze te kunnen vertellen».

Vladimir Mironovitsj Berlioz is de hoofdredacteur van het magazine De Goddeloze en hij legt aan de bekende dichter Antocha Bezrodny uit dat hij een gedicht zal moeten schrijven om een karikatuur van Jezus met de trekken van een uitbuiter van het proletariaat te begeleiden. Bezrodny betekent «zonder familie», nadien zal zijn naam nog veranderen in Ivanoesjka Popov, Ivanoesjka Bezrodny en tenslotte Ivan Bezdomny, «de dakloze». Terwijl Berlioz zijn uitleg doet, tekent Antocha werktuiglijk met de punt van zijn schoen een Jezusfiguur in het zand.

Dan verschijnt er een onbekende, een vreemdeling die zich verwondert over hun ongelovigheid en die in hoofdstuk 2, dat Het Evangelie volgens Woland als titel heeft, het verhaal doet van de dag van de kruisiging waarvan hij getuige was geweest. Het Pilatusverhaal situeert zich volledig in het tweede hoofdstuk en is nog niet die autonome tekst die we nu kennen.

Daarna daagt de mysterieuze vreemdeling Antocha uit om zijn atheïsme te bewijzen door de tekening van Jezus, die hij in het zand gemaakt heeft, uit te wissen, maar die aarzelt, wat een hele discussie op gang brengt die gevolgd wordt door de dood van Berlioz. Antocha komt, zonder te weten hoe, terecht in de Sint Basiliuskathedraal waar Ivan de Verschrikkelijke (1530-1584) naar buiten komt. Vervolgens is er, in hoofdstuk 4, de scène in Gribojedov en komt de dichter in het psychiatrisch ziekenhuis terecht. De eerste titel van dit hoofdstuk was In de hut van Gribojedov, nadien werd het Intermezzo in de hut van Gribojedov, en tenslotte Manu Furibunda. Het is dit hoofdstuk dat in 1929 aan het tijdschrift Nedra werd aangeboden, maar die weigerden om het te publiceren.

Klik hier om de scène met de tekening van Jezus te zien


Enkele elementen van de roman, zoals de scène in Gribojedov, zullen onveranderlijk de verschillende versies doorstaan, maar andere wijzigen sterk of verdwijnen zelfs. Het personage Stepanida Afanassievna, bijvoorbeeld, is een dichteres uit de eerste versie die het nieuws van de dood van Berlioz telefonisch verspreidt in een hoofdstuk dat На ведьминой квартире [Na bedminoj kvartirje] of  In het appartement van de heks heet. Dit personage zal later verdwijnen. Interessant is ook het personage vande demonoloog Fessia, een soort voorloper van de meester. Wanneer in een latere versie de meester definitief vorm krijgt, verdwijnt Fessia weer.

Vermeldenswaardig is het zesde hoofdstuk, Марш фюнебров [Marsj fjoenjebrov] of De mars van de begrafenissen, waarin de dichter Ivanoesjka, die uit het ziekenhuis ontsnapt was, de begrafenisstoet van Berlioz kwam verstoren. Dit hoofdstuk is niet meer te vinden in de latere versies van de roman

De eerste versie getuigt reeds van de enorme moeite die Boelgakov zich getroost heeft om de namen van de personages en de locaties te verzinnen. Stjopa Lichodejev wordt naar Vladikavkas getransporteerd en niet naar Jalta, en hij heet in de eerste versie nog Garassi Pedoelajev. Zijn medewerkers, die in de definitieve versie Rimski en Varenoecha zullen heten, zijn hier nog Tsoepilioti (later nog veranderd in achtereenvolgens Soekovski, Biblijeski, Robinski en tenslotte Rimski) en Newton (later nog veranderd in achtereenvolgens Noeton, Karton, Blagovest en tenslotte Varenoecha). De ongelukkige presentator Bengalski heet hier Pjotr Aleksejevitsj Blagovest.

Vervolg Ontstaansgeschiedenis



Deze pagina delen |