Ontstaansgeschiedenis

Nederlands > De roman > Ontstaansgeschiedenis

Inleiding

We kunnen veronderstellen dat Boelgakov aan De meester en Margarita begon te schrijven op het einde van 1928, of begin 1929. Dat kan afgeleid worden uit het feit dat hij het vierde hoofdstuk van zijn tweede versie in mei 1929 aanbood aan de uitgeverij Nedra. Toen Boelgakov in 1931 sporadsch verder werkte aan het boek noteerde hij 1929-1931 op de kaft, maar bij de vijfde versie in 1937 schreef hij 1928-1937.

Hij zou eraan blijven werken tot enkele weken vóór zijn dood in 1940. De meester en Margarita zou hem dus vergezellen in de moeilijkste jaren van zijn leven.

De archieven van Michail Boelgakov zijn gedurende lange tijd ontoegankelijk gebleven. Bovendien heeft Boelgakov sommige van zijn kladjes bewaard, maar anderen vernietigd. De eerste twee versies van de roman zijn ons bekend door twee grote schriften die de schrijver gedeeltelijk stuk gescheurd had. Marietta Omarovna Tsjoedakova (°1937) was de eerste Russische onderzoekster die in 1977 probeerde deze eerste teksten te reconstrueren. Maar de ontstaansgeschiedenis van het boek duurde twaalf jaar, en kende niet minder dan zes verschillende versies, soms zeer complex, en soms tegengesteld aan elkaar. Ze getuigen van heel veel onderbrekingen en verregaande herzieningen.

En er komen soms nog nieuwe ontdekkingen. Een voorbeeld daarvan is het dagboek dat Boelgakov tussen 1921 en 1925 bijhield. Dat was in beslag genomen in 1926, en kwam pas veel later weer boven water. De getypte kopieën werden pas in 1990 gepubliceerd. Het is dus niet uitgesloten dat er nog bronnen opduiken die een verrassende nieuwe kijk op de roman en zijn ontwikkelingen kunnen geven.

Boelgakovs bronnen

Boelgakov heeft heel wat bronnen geraadpleegd vooraleer aan De meester en Margarita te beginnen. Hij verdeelde ze in twee rubrieken die hij respectievelijk betitelde als God en De duivel. De belangrijkste waren, naast de canonieke Evangeliën:

The Life of Christ - Farrar, Frederic [en] - 1874
Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet - David Strauss [de] - 1835
La Vie de Jésus - Ernest Renan [fr] - 1863
Le Procurateur de Judée - Anatole France [fr] - 1892
The Gospel of Nicodemus - Nicodemus [en] - 1924
The Brockhaus-Efron encyclopaedia - Russische encyclopedie [ru] - 1906
The History of the relation of Man with the Devil - Michail Orlov [ru] - 1904

Over alles wat hij las in deze bronnen maakte hij aantekeningen die later op één of andere manier in het boek hun weg vonden - of er weer uit verdwenen.

Op het hiernaast afgebeelde handschrift zijn verschillende werktitels te zien die Boelgakov in het hoofd had voor zijn meesterwerk: Великий канцлер (De Witte Kanselier), Сатана (Satan), Вот и я (Hier ben ik), Шляпа с пером (De Hoed met de Veder), Черный богослов (De Zwarte Theoloog), Он появился (Hij is verschenen), Подкова иностранца (De Hoef van de Vreemdeling), Он явился (Daar heb je hem!), Пришествие, Черный маг (De Zwarte Magiër) en Копыто консультанта (De Hoef van de Adviseur).

De titel Вот и я (Hier ben ik) verwijst naar de uitroep «Me Voici!». Met die uitroep verschijnt de Duivel voor Faust in de opera van Gounod. Boelgakov had de meeste moeite met het einde van het verhaal, meer bepaald over welke beloning de meester zou moeten krijgen. Er zijn nog stukken handschrift bewaard waarin Boelgakov duidelijk de thematische link legt tussen hemzelf, de meester en Pilatus, en ook tussen de historische passages en de passages in Moskou, maar die haalden de definitieve versie niet.

Eerste versie (1928-1929)

De eerste versie van de roman telde een zestigtal pagina’s, verdeeld over vijftien hoofdstukken, en was getiteld Копыто инженера of De Hoef van de Ingenieur. Maar de geschreven pagina’s van die eerste versie vertoonden ook nog sporen van andere titels waar Boelgakov aan gedacht had: Черный маг of De Zwarte Magiër, Гастроль (Воланда) of De Tournee (van Woland), Сын В of De zoon van W en Жонглер с копытом of De Jongleur met de hoef.

Naar de betekenis van deze verschillende titels hoeven we niet ver te zoeken. De hoef moet hier gezien worden als een traditioneel attribuut van de duivel, die in de eerste versie als een onbekende, een vreemdeling wordt voorgesteld. De andere termen worden in de Russische cultuur wel vaker met de duivel in verband gebracht, en in de jaren ’20 waren ze in de officiële propaganda zo goed als synoniem voor spion. De term ingenieur refereert zowel naar een bourgeois als naar een vreemdeling. In die tijd werkten er in de Sovjetunie immers nogal wat bourgeois-specialisten - technisch geschoolde buitenlanders die hadden aanvaard om te komen meewerken met de sovjetautoriteiten zonder echter noodzakelijk de ideologie (volledig) te delen. Bovendien was in de zomer van 1928 de zaak Sjachti losgebarsten, het eerste van de beruchte showprocessen van Stalin, waarin verschillende ingenieurs werden beschuldigd van spionage en sabotage.

Het schema van de eerste versie kwam al bij al vrij goed overeen met de definitieve versie van de roman. Het Moskouverhaal was reeds aanwezig, en zou nog alleen anecdotische wijzigingen ondergaan. Maar de onderverdeling van het materiaal, de zinsvorming en de tekststructuur zouden nog veel werk vergen.

De Hoef van de Ingenieur begint met een voorwoord van een verteller, die nadien verdwijnt, en die zich - in de beste traditie van de chroniqueurs - nederig verontschuldigt voor zijn onhandigheid en zijn gebrek aan professionalisme. Maar, zoals hij zegt, «de vreemde aard van de gebeurtenissen rechtvaardigen de beslissing om de pen ter hand te nemen en ik zweer op mijn eer, zodra ik de pen ter hand neem om deze monsterlijke gebeurtenissen te beschrijven, voel ik mij doordrongen van een gevoel van verschrikking. Eén zaak verontrust me nochtans en dat is dat ik, omdat ik geen schrijver ben, riskeer van ze niet op een coherente wijze te kunnen vertellen».

Het verhaal begint dan aan de Patriarchvijver op een warme namiddag in juni - de bovennatuurlijke gebeurtenissen zullen plaatsvinden in de nacht van 24 op 25 juni, de Sint-Jansnacht. De Sint Jansnacht is de gekerstende versie van de oeroude midzomernachtviering. In de nacht vóór de geboortedag van Johannis de Doper spelen de geesten hun spel. Om de zomer feestelijk in te luiden zingt en danst men rond het Sint Jansvuur.

Vladimir Mironovitsj Berlioz is de hoofdredacteur van het magazine De Goddeloze en hij legt aan de bekende dichter Antocha Bezrodny uit dat hij een gedicht zal moeten schrijven om een karikatuur van Jezus met de trekken van een uitbuiter van het proletariaat te begeleiden. Bezrodny betekent «zonder familie», nadien zal zijn naam nog veranderen in Ivanoesjka Popov, Ivanoesjka Bezrodny en tenslotte Ivan Bezdomny, «de dakloze». Terwijl Berlioz zijn uitleg doet, tekent Antocha werktuiglijk met de punt van zijn schoen een Jezusfiguur in het zand.

Dan verschijnt er een onbekende, een vreemdeling die zich verwondert over hun ongelovigheid en die in hoofdstuk 2, dat Het Evangelie volgens Woland als titel heeft, het verhaal doet van de dag van de kruisiging waarvan hij getuige was geweest. Het Pilatusverhaal situeert zich volledig in het tweede hoofdstuk en is nog niet die autonome tekst die we nu kennen.

Daarna daagt de mysterieuze vreemdeling Antocha uit om zijn atheïsme te bewijzen door de tekening van Jezus, die Berlioz in het zand gemaakt heeft, uit te wissen, maar die aarzelt, wat een hele discussie op gang brengt die gevolgd wordt door de dood van Berlioz. Antocha komt, zonder te weten hoe, terecht in de Sint Basiliuskathedraal waar Ivan de Verschrikkelijke naar buiten komt. Vervolgens is er, in hoofdstuk 4, de scène in Gribojedov en komt de dichter in het psychiatrisch ziekenhuis terecht. De eerste titel van dit hoofdstuk was In de hut van Gribojedov, nadien werd het Intermezzo in de hut van Gribojedov, en tenslotte Manu Furibunda. Het is dit hoofdstuk dat in 1929 aan het tijdschrift Nedra wordt aangeboden, maar die weigerden om het te publiceren.

Klik hier om de scène met de tekening van Jezus te zien

De begrafenis van Berlioz beslaat hoofdstuk 6 en wordt De dodenmars genoemd.Ze is veel grotesker dan in de uiteindelijke versie: Antocha is ontsnapt uit het ziekenhuis en zet op weergaloze wijze de begrafenis op stelten.

Enkele elementen van de roman, zoals de scène in Gribojedov, zullen onveranderlijk de verschillende versies doorstaan, maar andere wijzigen sterk of verdwijnen zelfs. Het personage Stepanida Afanassievna, bijvoorbeeld, is een dichteres uit de eerste versie die het nieuws van de dood van Berlioz telefonisch verspreidt in een hoofdstuk dat In het appartement van de heks heet. Dit personage zal later verdwijnen. Interessant is ook het personage van Fessia in hoofdstuk 13, dat Over de eruditie heet. Fessia is een soort voorloper van de meester. Wanneer in een latere versie de meester definitief vorm krijgt, verdwijnt Fessia weer.

De eerste versie getuigt reeds van de enorme moeite die Boelgakov zich getroost heeft om de namen van de personages en de locaties te verzinnen. Stjopa Lichodejev wordt naar Vladikavkas getransporteerd en niet naar Jalta, en hij heet in de eerste versie nog Garassi Pedoelajev. Zijn medewerkers, die in de definitieve versie Rimski en Varenoecha zullen heten, zijn hier nog Tsoepilioti (later nog veranderd in achtereenvolgens Soekovski, Biblijeski, Robinski en tenslotte Rimski) en Newton (later nog veranderd in achtereenvolgens Noeton, Karton, Blagovest en tenslotte Varenoecha). De ongelukkige presentator Bengalski heet hier Pjotr Aleksejevitsj Blagovest.

Vervolg Ontstaansgeschiedenis



Deze pagina delen |