Jesjoea Ha-Notsri

Nederlands > De personages > Bijbelse personages > Jesjoea Ha-Notsri

Rol

Het verhaal van Boelgakovs Jesjoea Ha-Notsri en zijn dood wijkt op belangrijke punten af van wat het evangelie schrijft over Jezus van Nazareth. Het begint op het moment dat Jesjoea gearresteerd is en voor de Romeinse procurator Pontius Pilatus wordt gebracht. Jesjoea blijkt slechts een gewone man te zijn, met een uitermate groot empathisch vermogen, die achtervolgd wordt door een stel religieuze fanaten die zijn woorden opschrijven en verkeerd interpreteren.

Volgens het Mattheusevangelie is Jezus een krachtdadige figuur die zwaar tegen de hogepriesters inhakt, ontzag inboezemt en voor geen enkele autoriteit bang is. Ook niet voor Pilatus. Mattheus 27:11 - En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.

Maar Jesjoea Ha-Notsri krijgt in de roman een heel andere persoonlijkheid toegemeten dan de Jezus die in de evangeliën beschreven wordt. Hij is soms grappig, soms laf, soms manipulatief. Hij doet het voorkomen alsof hij alle ontstane herrie niet zelf heeft gewild. Hij zet zich zelfs af tegen wat de evangelist Mattheus over hem schrijft, zoals het hierna volgende fragment uit zijn ondervraging met Pilatus aantoont . De vraag van Pilatuis was of hij het volk had opgejut om het tempelgebouw te verwoesten, en Jesjoea antwoordde dat de mensen er niets van begrepen hadden en al zijn woorden verhaspelden. Waarop Pilatus hem waarschuwde om geen krankzinnigheid te simuleren. Maar...

- Nee, nee, hegemoon, zei de arrestant in een uiterste poging hem te overreden, er is een figuur die me aldoor achternaloopt met geite- perkament om alles wat ik zeg te noteren. Ik heb dat perkament eens ingekeken en de schrik sloeg mij om het hart. Van alles wat daar staat heb ik nooit één woord beweerd. Ik smeekte hem nog: in godsnaam, verbrand dat perkament van je! Maar hij rukte het uit mijn handen en rende weg.

- Over wie heb je het? vroeg Pilatus met een zuur gezicht, terwijl hij een hand naar zijn slaap bracht.

- Matteus Levi, verklaarde de arrestant bereidwillig... Hij was vroeger belastinginner.

Even later manipuleert Jesjoea zelfs de situatie wanneer hij merkt dat Pilatus hoofdpijn heeft. Hij is in staat om die pijn enigszins te verlichten, en wint daardoor het vertrouwen van de procurator. Pilatus probeert dan ook om de terdoodveroordeling van Jezus teniet te doen. Hij overweegt hem geestelijk gestoord te verklaren en hem te verbannen naar Caesarea Stratonova aan de Middellandse Zee, waar zich trouwens ook zijn eigen residentie bevond. Helaas voor hem slaagt hij daar niet in. Na een onderhandeling met de joodse hogepriester Josef Kajafas, tevens voorzitter van het Sanhedrin, wordt besloten om niet Jesjoea, maar wel de nochtans veel gevaarlijkere Bar-Abbas in leven te laten. Jesjoea wordt dus terechtgesteld aan een folterpaal op de Schedelberg, in gezelschap van de volksopjutters Dismas en Hestas. Het is Afranius, de man met de capuchon, die na de terechstelling Jesjoea's voetzool bevoelt en hem officieel dood verklaart.

In de tekst van Boelgakov sterft Jesjoea door de speer, terwijl in het evangelie volgens Johannes 19:34, Christus pas werd doorboord toen hij al dood was.

[Nadat de speerpunt in zijn hart was gepriemd], sidderde Jesjoea en fluisterde hij: «Hegemoon», en hij stierf. Ook deze versie van de laatste woorden van Jezus wijkt sterk af van de evangeliën. Volgens Matteus (27:46), Marcus (15:33) en het apocriefe evangelie van of Nicodemus (VIII, 3), riep Jezus met een grote stem zeggende: «Ηλει ηλει λεμα σαβαχθανι?» [Eli, Eli, lama sabachthani] of «Mijn God, mijn God, warom heeft u mij verlaten?». Deze zin van Jezus is een citaat van Koning David (1040 BC-970 BC) uit het boek Psalmen, hoofdstuk 22.

De andere evangelisten beschrijven andere woorden. Lucas (23:43-46) schreef dat Jezus «zijn stem verheft met grote stem»: «Vader, in uw handen beveel ik mijn geest» en volgens Johannes (19: 30) zei Jezus «Het is volbracht» toen hij te drinken had gekregen.

Achtergrond

Jesjoea Ha-Notsri betekent Jezus van Nazareth in het Aramees. De Aramese naam ישוע [Jesjoea] betekent de Heer is mijn redding. De naam הנצרי [Ha-Notsri] betekent van Nazareth, de stad in Galilea waar, volgens de evangeliën, Jezus leefde voor hij zijn publiek leven begon.

Het is echter niet zeker of hiermee de bijbelse plaats Nazareth wordt bedoeld. Boelgakov is niet duidelijk over de woonplaats van zijn Jesjoea. In hoofdstuk 2 verklaart Jesjoea zelf aan Pilatus dat hij uit Gamala komt, maar in hoofdstuk 26 wordt Jesjoea beschreven als de bedelaar uit En-Sarid, wat komt van coming from النَّاصِرَة [En-Sarid], de Arabische naam voor Nazareth.

Boelgakov veronderstelt dat de lezer de Bijbel een beetje kent. Hij baseert zijn verhaal over Jesjoea op het evangelie volgens Mattheus. Hij gebruikt wel de Aramese namen, die historisch meer accuraat zijn: Jesjoea in plaats van Jezus, Jersjalajim in plaats van Jeruzalem, Jehoeda in plaats van Judas, hij deed daar trouwens veel onderzoek naar.

De verwijzingen naar het Sovjetsysteem zijn legio. Caesarea Stratonova doet denken aan de luxueuze buitenverblijven van de Sovjet apparatsjiks, het verloop van de totstandkoming van de bekrachtiging van Jesjoea's doodvonnis aan de gearrangeerde ondervragingen en vonnisen in de Stalinperiode. De onderzoeken en de manipulatieve constructies van Afranius lijken sterk op de activiteiten van de geheime dienst NKVD, met inbegrip van het herschrijven van de geschiedenis en de ontwikkeling van een propaganda-strategie.



Deze pagina delen |