Jesjoea Ha-Notsri

Nederlands > De personages > Bijbelse personages > Jesjoea Ha-Notsri

Context

Het verhaal van Jesjoea Ha-Notsri en zijn dood in De meester en Margarita is gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth (0-33), die beschreven wordt in de evangeliën.

Een evangelie is een beschrijving van het levensverhaal van Jezus van Nazareth. Het woord evangelie is afgeleid van het Griekse εὐαγγέλιον [euangelion] of blijde boodschap. Er bestaan tientallen evangeliën, waarvan de meeste geschreven werden tussen de jaren 70 en 185. De vorm en inhoud van deze teksten liepen echter sterk uiteen.

De verschillen waren zelfs zo groot dat Athanasius (293-373), de bisschop van Alexandrië, in 367 besloot om orde op zaken te stellen. Hij maakte een onderscheid tussen enerzijds «door God geïnspireerde evangeliën» of canonieke evangeliën, en anderzijds de andere teksten, die apocriefe evangeliën worden genoemd. Daarmee legde hij de Alexandrijnse Canon vast, een lijst van «door God geïnspireerde bijbelboeken» die overeenkomt met het Oude Testament en het Nieuwe Testament zoals wij ze nu kennen.

Een belangrijk onderdeel van het Nieuwe Testament zijn de vier canonieke evangeliën van Mattheus (geschreven tussen 70 en 90), Marcus (tussen 66 en 73), Lucas (tussen 60 en 130) en Johannes (tussen 90 en 110). Onder paus Damasus (305-384) werd de lijst van Athanasius in 382 dan definitief goedgekeurd als de zogenaamde Catalogus van Damasus. De meeste apocriefe teksten mochten vanaf toen niet meer worden gelezen.

Door deze beslissing verdwenen de apocriefe evangeliën echter niet. Vandaag nog zijn evangeliën bekend van onder meer Judas, Thomas, Nicodemus, Philippus, Bartholomeus, Filippus, Thaddeüs en nog veel méér, zelfs een evangelie van Maria Magdalena. Dat laatste is in 2003 onder de bredere aandacht gekomen door de roman De Da Vinci Code van de Amerikaanse auteur Dan Brown.

Om de bijbelse passages van De meester en Margarita te schrijven heeft Boelgakov zich onder meer gebaseerd op het canonieke evangelie van Mattheus, maar eveneens op het apocriefe evangelie van Nicodemus (waarschijnlijk uit de 4de eeuw), waarvan het eerste deel, De handelingen van Pilatus, zich concentreert op de lijdensweg van Jezus.


Prototype

De naam ישוע הנצרי [Jesjoea Ha-Notsri] is Aramees en betekent Jezus van Nazareth. Het Aramees was inderrtijd de lingua franca van het Midden-Oosten, en dus ook van Palestina. Jesjoea betekent De heer is gezegend, en Nazareth is de stad in Galilea waar Jezus volgens de canonieke evangeliën leefde vóór hij zijn openbaar leven begon.

Het is nog steeds een punt van discussie of de figuur van Jezus van Nazareth werkelijk bestaan heeft. Michail Berlioz heeft gelijk wanneer hij in de openingsscène van De meester en Margarita zegt dat er buiten de evangeliën maar weinig historische bronnen zijn die naar hem refereren. Hij vermeldde onder meer Publius Cornelius Tacitus (56-117), en zijn werk Annales, liber XV, caput 44, waarin hij over de christenen schrijft: «De grondlegger van hun naam, Christus, werd onder de heerschappij van Tiberius door de provinciegouverneur Pontius Pilatus terechtgesteld».

Maar Berlioz doet de waarheid geweld aan wanneer hij zegt dat «de schitterende erudiet Flavius Josephus met geen woord ooit over het bestaan van ene Jezus heeft gerept». Titus Flavius Josephus (37-100), die met zijn echte naam Josef ben Mattijahu heette, schreef immers tussen 79 en 94 het verhaal De oude geschiedenis van de Joden dat bestond uit 20 boekrollen. In Boek XVIII, hoofdstuk 3 van dit werk komt een passage voor dieTestimonium Flavianum of De getuigenis van Flavius wordt genoemd, en waarin hij schreef: «In die tijd leefde Jezus, een wijs man, voor zover het geoorloofd is hem een man te noemen. Hij verrichtte namelijk daden die onmogelijk geacht werden, en hij was leermeester van mensen die met vreugde de waarheid tot zich namen».  Daarna vermeldde hij ook nog de dood aan het kruis en de verrijzenis. De betrouwbaarheid van deze tekst wordt echter reeds sinds de 17de eeuw betwist, en veel schriftgeleerden zijn het erover eens dat hij op zijn minst veranderd of zelfs volledig vervalst is door christelijke schrijvers.


Persoonlijkheidskenmerken

Bij gebrek aan bronnen buiten de bijbel, kunnen we de figuur van Jesjoea Ha-Notsri uit De meester en Margarita alleen toetsen aan de beeldvorming van de figuur van Jezus van Nazareth uit de vier canonieke evangeliën, en uit het apocriefe evangelie van Nicodemus, dat door Boelgakov grondig werd bestudeerd in functie van de roman.

Vooraf dient echter gezegd te worden dat de vier evangeliën ook onderling niet eensluidend zijn in het beschrijven van de persoonlijkheid van Jezus.

De evangelist Mattheus, bijvoorbeeld, die zelf van joodse huize was en die vooral voor een joods publiek schreef - zijn evangelie werd geschreven in het Hebreeuws -, stelde Jezus voor als de «zoon van David», de «beloofde koning» en de «vervulling van de messiaanse profetie». Als toekomstige heerser is zijn Jezus daarom een krachtdadige figuur die zwaar tegen de hogepriesters inhakt, ontzag inboezemt en voor geen enkele autoriteit bang is, ook niet voor Pilatus. Bij Mattheus (27:11) lezen we: «En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het». Ook op verschillende andere plaatsen in dat evangelie stelt Jezus de hypocrisie van de toenmalige joodse leiders en partijen aan de kaak.

Dit beeld verschilt heel sterk van de man die Boelgakov beschrijft. Zijn Jesjoea probeerde onder de beschuldiging uit te komen, hij antwoordde dat de mensen er niets van begrepen hadden en dat ze al zijn woorden verhaspelden: «Nee, nee, hegemoon, er is een figuur die me aldoor achternaloopt met geiteperkament om alles wat ik zeg te noteren. Ik heb dat perkament eens ingekeken en de schrik sloeg mij om het hart. Van alles wat daar staat heb ik nooit één woord beweerd».

De Jesjoea van Boelgakov is soms grappig, soms laf, soms manipulatief. Hij doet het voorkomen alsof hij alle ontstane herrie niet zelf heeft gewild. Hij vertoont veel menselijke zwakheden, en is dus ook heel anders dan de Jezus van de evangelist Johannes, die bij het schrijven van zijn evangelie een multicultureel en multireligieus publiek voor ogen dat in de Egyptische stad Alexandrië woont, en die vooral de godheid en de volmaaktheid van Jezus benadrukte. Maar Jesjoea is zwakker en grilliger. Hij gebruikt zijn goddelijkheid om een mirakel te verrichten door Pilatus van zijn hoofdpijn te verlossen, maar smeekt daarna wel om vrijgelaten te worden, want hij vreest «dat ze het op zijn leven hebben gemunt».


Feiten

Maar niet alleen in de persoonlijkheidskenmerken wijkt Jesjoea Ha-Notsri wel eens af van de Jezus van Nazareth uit de evangeliën. Ook sommige feiten doen zich anders voor bij Michail Boelgakov dan in de evangeliën van Mattheus, Marcus, Lucas, Johannes of Nicodemus.

Boelgakov veronderstelt overigens dat de lezer de bijbel een beetje kent, al gebruikt hij wel, anders dan de evangelisten, vaak de Aramese namen, die historisch meer accuraat zijn: Jesjoea in plaats van Jezus, Jersjalajim in plaats van Jeruzalem, Jehoeda in plaats van Judas.

Volgens het evangelie van Lucas bracht Jezus zijn jeugd door in Nazareth in de streek van Galilea, met zijn moeder Maria en zijn voedstervader Jozef - samen de Heilige Familie genoemd. Boelgakov vermeldt twee plaatsen in verband met de woonplaats van zijn Jesjoea. In hoofdstuk 2 verklaart Jesjoea aan Pilatus niet alleen dat hij zich zijn ouders niet herinnerde, maar ook dat hij uit Gamala komt. Gamala is een stadje ten noordoosten van Tiberias aan het Meer van Galilea. In 1927, kort vóór Boelgakov zou beginnen met het schrijven van De meester en Margarita, had de Franse schrijver Henri Barbusse (1873-1935) in zijn boek Jésus (Jezus) de thesis verdedigd dat Jezus in Gamala moet gewoond hebben. Barbusse was bekend in de Sovjet-Unie omdat hij een aanhanger was van het communisme. Hij had onderzoek gedaan naar Nazareth omdat in het Oude Testament nergens tekstuele referenties naar deze stad worden gegeven, en veel historici twijfelden aan het feit of de stad Nazareth wel bestond in die tijd.

Maar in hoofdstuk 26 wordt Jesjoea dan weer beschreven als нищий из Эн-Сарида [nisjtsjni iz En-Sarida] of de bedelaar uit En-Sarid. De naam النَّاصِرَة [En-Sarid] is gewoon Nazareth in het Arabisch.

Ook de dood van Jesjoea wordt anders beschreven. In De meester en Margarita sterft Jesjoea nadat de beul hem «de speerpunt soepel in het hart priemde». In het evangelie volgens Johannes (19:33-34), lezen we echter dat de krijgsknechten hadden gemerkt dat hij al dood was, en dat zijn zijde werd doorstoken met een speer om dat te verifiëren.

In hoofdstuk 16 van de roman sidderde Jesjoea na de doodsteek en fluisterde hij: «Hegemoon», waarna hij stierf. Ook deze versie van de laatste woorden van Jezus wijkt sterk af van de evangeliën. Volgens Mattheus (27:46), Marcus (15:33) en het apocriefe evangelie van Nicodemus (VIII, 3), riep Jezus met een grote stem zeggende: «Ηλει ηλει λεμα σαβαχθανι?» [Eli, Eli, lama sabachthani] of «Mijn God, mijn God, waarom heeft u mij verlaten?». Deze zin van Jezus is een citaat van Koning David (1040 BC-970 BC) uit het boek Psalmen, hoofdstuk 22. De andere evangelisten beschrijven andere woorden. Lucas (23:43-46) schreef dat Jezus «zijn stem verheft met grote stem»: «Vader, in uw handen beveel ik mijn geest» en volgens Johannes (19: 30) zei Jezus «Het is volbracht» toen hij te drinken had gekregen.

Verder wordt in De meester en Margarita verteld dat Mattheus Levi het lichaam van Jesjoea ging stelen om het te begraven, maar in Johannes (19:38) lezen we:  «Jozef van Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg».

In de roman heeft Jesjoea ook maar één volgeling, Mattheus Levi, en dan nog enigszins tegen zijn zin. In de evangeliën wordt echter gezegd dat Jezus twaalf apostelen of discipelen had die hijzelf had uitgekozen en die hem voordurend vergezelden. Eén van die twaalf was Judas Iskariot, die hem later voor dertig zilverlingen zou verraden. De Judas van Boelgakov heet Jehoeda uit Karioth. Maar hij was geen leerling van Jesjoea. Hij ontmoette hem pas twee dagen vóór de ondervraging van Jesjoea door Pilatus, en kreeg dertig tetradrachmen voor zijn verraad, wat behoorlijk méér is dan dertig zilverlingen. Volgens het evangelie van Mattheus (27:3-6) kreeg Judas Iskariot berouw, leverde hij zijn zilverlingen terug in bij de hogepriesters, en verhing hij zich.

Dat laatste wordt in De meester en Margarita stellig ontkend. In hoofdstuk 26 vraagt Pilatus aan Afranius: «Heeft hij er niet zelf een einde aan gemaakt?», waarop Afranius antwoordde dat zoiets «volslagen onaannemijk is». De Jehoeda van Boelgakov verhing zich niet, maar werd vermoord bij de grot in Gethsemane - naar eigen zeggen door Pilatus zelf - en zijn moordenaars hebben het geld over de omheining van de hogepriester Kajafas gegooid met een briefje erbij waarop stond: «Hier is je bloedgeld terug».


Satire

Ook het bijbelse verhaal van De meester en Margarita bevat satirische bedenkingen op de Sovjet-Unie. De verwijzingen naar het Sovjetsysteem zijn legio. Caesarea Stratonova, de residentie van Pilatus aan de Middellandse Zee, doet denken aan de luxueuze buitenverblijven van de Sovjet apparatsjiks. Het verloop van de gesprekken over de bekrachtiging van Jesjoea's doodvonnis lijken dan weer sterk op de gearrangeerde ondervragingen en vonnisen in de Stalinperiode. De onderzoeken en de manipulatieve constructies van Afranius doen denken aan de activiteiten van de geheime dienst NKVD, met inbegrip van het herschrijven van de geschiedenis en de ontwikkeling van propaganda-strategieën.



Deze pagina delen |