Pontius Pilatus

Nederlands > De personages > Bijbelse personages > Pontius Pilatus

Context

Het verhaal van Pontius Pilatus is een roman die door de meester werd geschreven nadat hij honderdduizend roebel gewonnen had in een loterij. Hoewel de roman nooit gepubliceerd werd, namen de critici hem toch zwaar onder vuur in de pers met ook felle persoonlijke aanvallen op de meester zelf.

De lezer van De meester en Margarita krijgt het verhaal van Pilatus in drie grote stukken voorgesteld als een roman-in-de-roman.

Het eerste deel wordt door Woland aan Michail Berlioz en Ivan Bezdomny verteld in hoofdstuk 2 aan de Patriarchvijver. Het beschrijft de ondervraging van Jesjoea Ha-Notsri, en de geheime vergadering van Pilatus met de hogepriester Kajafas om het lot van Jesjoea te beslechten.

Het tweede deel wordt in hoofdstuk 16 door Ivan Bezdomny gedroomd in het ziekenhuis van dokter Stravinski, en gaat over de terechtstelling van Jesjoea.

Het derde deel wordt in de hoofdstukken 25 en 26 door Margarita gelezen in het souterrain van de meester nadat ze met hem herenigd werd door toedoen van Woland. Het gaat over de begrafenis van Jesjoea en de moord op de verrader Jehoeda van Kiriath.


Pilatus in de roman van de meester

Pontius Pilatus is volgens Boelgakov de Romeinse procurator van Judea die graag in zijn residentie in Caesarea Stratonova aan de Middellandse Zee verblijft, maar die nu de dagen van het Joodse feest van Pesach moet doorbrengen in het paleis van Herodes de Grote (73BC-4BC) in de stad Jersjalajim. Hij moet er oordelen over een zekere Jesjoea Ha-Notsri die door het Sanhedrin, de Joodse rechtbank, ter dood werd veroordeeld. Van Pilatus wordt nu verwacht dat hij het doodvonnis van het Sanhedrin bekrachtigt.

Pilatus besluit de man te ondervragen en raakt door hem geboeid. De ontmoeting evolueert van een typische ondervraging naar een gesprek, waarin Ha-Notsri intrigerende dingen vertelt, en nog intrigerender dingen doet. Hij weet van de erge hoofdpijn waar de procurator mee zit, en zorgt ervoor dat die verdwijnt. En passant maakt hij een scherpe, maar correcte analyse van de gemoedstoestand van de hegemoon. Pilatus is geneigd hem onschuldig te verklaren of hem hoogstens te verbannen naar zijn residentie Caesarea Stratonova. Maar een «diplomatiek onderhoud» met hogepriester Josef Kajafas dwingt hem tot een andere uitspraak. Het doodvonnis van Ha-Notsri wordt bevestigd.

Na de terechtstelling van Jesjoea op de Schedelberg kan Pontius Pilatus, tijdens een onderhoud met Afranius, het hoofd van zijn geheime dienst, nauwelijks zijn genegenheid voor Ha-Notsri verbergen. Ook zijn afkeer voor Jehoeda van Kiriath, de man die Jesjoea voor dertig tetradrachmen had uitgeleverd aan Kajafas, wordt overduidelijk. Tijdens hun samenzweerderig gesprek, dat bulkt van de suggesties, insinuaties en onuitgesproken bedoelingen, beslissen ze niet alleen over wat er moet gaan gebeuren, maar ook over hoe de feiten zullen moeten voorgesteld worden. Jehoeda wordt neergestoken door twee mannen met een derde erbij, een man in een capuchon. Pilatus krijgt buien van zwaarmoedigheid, zielskwellingen en vlagen van helse hoofdpijn die lang nazinderen. De enige die hij liefheeft, en die hem liefheeft, is Banga, zijn hond.

In een gesprek met Pilatus zegt Mattheus Levi, de volgeling van Jesjoea, dat hij desnoods de rest van zijn leven zal wijden om te proberen Jehoeda van Kiriath te vermoorden. «Doe maar geen moeite», antwoordt Pilatus daarop, «dat is al gebeurd. Niet jaloers wezen. Ik heb het gedaan».


Ontmoeting tussen de meester en zijn romanheld

Op het einde van De meester en Margarita geraken de roman van de meester en de roman van Boelgakov met elkaar verweven. Wanneer de duivels in hoofdstuk 32 met de meester en Margarita hun laatste vlucht hebben, houden ze halt op een vreugdeloos bergplateau bij een man met een hond. Het is Pilatus, die daar al bijna tweeduizend jaar zit, gekweld door zijn onsterfelijkheid en ongewilde roem. Woland geeft de meester de toestemming om hem te bevrijden. Die vormt met zijn handen een spreektrompet en schreeuwt: «Je bent vrij! Vrij! hij wacht op je!». En Pilatus snelt, vergezeld van zijn trouwe waker Banga, de maanweg op.


Historische en politieke achtergrond

Het bijbelse verhaal van De meester en Margarita speelt zich volledig af in Palestina. Met de landsnaam Palestina werd in de Romeinse tijd grofweg de streek aangeduid tussen de huidige steden Sidon in Libanon en Damascus in Syrië in het noorden, en de Dode Zee in het zuiden. Van 37BC tot 4BC was Herodes de Grote (73BC-4BC) er koning, hij was benoemd door de Romeinse Senaat en had de eed van trouw aan de Romeinen afgelegd. Na zijn dood werd zijn koninkrijk verdeeld onder zijn drie nog levende zonen. Herodes Antipas (20BC-39) kreeg zeggenschap over Galilea en Perea, zijn halfbroer Herodes Filippus (4BC-34) regeerde over de Decapolis en het noordwesten. Een derde broer, Herodes Archelaüs (23BC-18), regeerde oorspronkelijk over Judea, Samaria en Idumea. De stad Jersjalajim, zoals Jeruzalem in het Aramees werd genoemd, lag in Judea en de stad Caesarea Stratonova, waar Pilatus zijn residentie had, ligt 120 km meer naar het noorden, in Samaria.

Herodes Antipas en Herodes Filippus waren tetrarchen. Een tetrarch of een viervorst was de heerser over een vierde deel van het grondgebied. In de eerste eeuw van onze tijdrekening gebruikten de Romeinen deze term echter ook om de vorst van een klein deelgebied van hun uitgestrekte rijk aan te duiden. Herodes Archelaüs was een zogenaamde ethnarch. Dat is een titel die gegeven werd aan de vazalkoningen van de Romeinen.

Het is lang niet bewezen, en volgens veel historici zelfs onwaarschijnlijk, dat de ontmoeting van Pontius Pilatus en Jezus werkelijk zou hebben plaatsgevonden. Jezus was niet de enige Joodse man die in die tijd beweerde de messias te zijn. Wie dat deed werd vrij routinematig en zonder veel plichtplegingen door de Romeinse magistratuur in Jeruzalem opgepakt, gemarteld en publiekelijk ter dood gebracht ter waarschuwing aan de Joodse bevolking. Dat was een standaardprocedure waarmee de prefect zich vrijwel zeker niet persoonlijk moeide.


Niet de vijfde procurator

In De meester en Margarita wordt Pontius Pilatus een paar keer «de vijfde procurator van Judea» genoemd. Dat is één van de weinige vergissingen van Boelgakov in zijn beschrijvingen van het Palestina uit die tijd.

In het jaar 6 werd de ethnarch Herodes Archelaüs door keizer Augustus (63BC-14) afgezet. Zijn gebied werd vanaf dan bestuurd door een «prefect» onder toezicht van de gouverneur van de Romeinse provincie Syrië. Tot het jaar 41 zouden de bestuurders van Judea de titel «prefect» blijven dragen. Van 26 tot 36 was Pontius Pilatus de bestuurder. Het was pas onder Claudius I (10BC-54), die keizer was van 41 tot 54, dat de titel «procurator» ingevoerd werd. Vanaf 43, na een kort interregnum van «koning» Herodes Agrippa (11BC-44) voerde de bestuurder van Judea «procurator» als titel. Ondanks het feit dat er geen noemenswaardig verschil was in functie, was Pontius Pilatus dus niet «de vijfde procurator», maar «de vijfde prefect van Judea».

Overigens was Boelgakov niet de enige die zich op dit vlak heeft vergist. Enkele van de bronnen die hij raadpleegde om het bijbels verhaal uit De meester en Margarita te schrijven deden net hetzelfde. De Franse schrijver Anatole France (1844-1924), schuilnaam voor Jacques Anatole François Thibault, schreef in 1892 het verhaal Le Procurateur de Judée. De Romeinse historicus Cornelius Tacitus (55-120), waarnaar Michail Berlioz refereert in hoofdstuk 1 van De meester en Margarita, noemde Pilatus in zijn Annalen liber 15, caput 44 «de procurator Pontius Pilatus». In zijn tijd had de bestuurder van Judea overigens alweer een nieuwe titel. Hij werd sinds het jaar 70 aangesproken als «legatus». En in de archieven van Boelgakov werd een uittreksel gevonden van het boek Die Christusmythe of De mythe van Christus, in 1909 geschreven door Arthur Drews (1865-1935), een Duitse filosofieprofessor uit Karlsruhe. Drews was een fel tegenstander van de idee dat Jezus echt zou bestaan hebben. Ook hij noemde Pilatus een «procurator».

Michail Boelgakov noemt Pilatus ook een «ridder». Dit is wel een correcte benaming, want Pilatus behoorde tot de equites of ridders, een stand die in het oude Rome bestond uit burgers van wie het financieel vermogen groot genoeg was om hun dienstplicht met eigen paard te kunnen vervullen. Qua aanzien stonden ze onder de senatoren.

Tenslotte gebruikt Boelgakov ook de beschrijving «zoon van een koning-sterrenwichelaar en een molenaarsdochter, de schone Pila». Historische bronnen om deze afkomst van Pilatus te staven zijn er niet, maar de Franse Boelgakov experte Marianne Gourg schreef in haar commentaar bij Claude Ligny's vertaling van Le Maître et Marguerite in 1995 dat Boelgakov dit detail zou kunnen gevonden hebben in het gedicht De vita Pilati van de in het Latijn schrijvende Vlaamse 12de-eeuwse dichter Petrus Pictor of Peter de Schilder, afkomstig uit Sint-Omaars (Saint-Omer) in Frans-Vlaanderen. Dat gedicht bestond in een Russische vertaling. Het bevat 369 coupletten op rijm en is gebaseerd zijn op verschillende legenden die de ronde deden over Pontius Pilatus. Eén van die legenden die in de streek van Mainz in Duitsland werd verteld gaat over de afstamming van Pilatus. Ze handelt over de astroloog Ata en de molenaarsdochter Pila, en werd ook vermeld in Pontius Pilatus, der fünfte Prokurator von Judäa und Richter Jesu von Nasareth of Pontius Pilatus, de vijfde procurator van Judea en rechter van Jezus van Nazareth van de Duitse schrijver Gustav Adolf Müller (1866-1928), dat gepubliceerd werd in Stuttgart in 1888.

Pilatus' naam zou dus afgeleid zijn van Pila, de naam van zijn moeder. Pila zou dan weer afgeleid zijn van pilum, dat speer betekent.


Intriges

In De meester en Margarita vraagt Pontius Pilatus aan zijn secretaris: «De beklaagde komt uit Galilea, is zijn zaak naar de tetrarch doorverwezen?». Pontius Pilatus had volgens de bijbel Jezus verwezen naar Herodes Antipas (20BC-39), de tetrarch van Galilea die volgens Lukas 23:7 op dat moment in Jeruzalem was, met de vraag om een vonnis te vellen. Dit was bedoeld om Herodes te vleien, want Pilatus leefde op gespannen voet met hem. Bovendien was Pilatus gevoelig voor zijn reputatie, aangezien op 18 oktober 31 zijn positie sterk verzwakt was door de val van zijn vriend Lucius Aelius Seianus (20 BC-18), een favoriet van keizer Tiberius (42 BC-37). Door gekonkel en intriges had Seianus veel macht in het Romeinse Rijk verworven. Maar toen een complot werd ontdekt om de macht te grijpen, werd hij geëxecuteerd. Het is mogelijk dat, vanaf dat moment, Pilatus nogal ongerust werd voor enig vermoeden van Rome dat hij niet loyaal aan de keizer zou zijn.

Uit de manier waarop de evangeliën het proces van Jezus beschrijven, niet zo lang na de val van Seianus, leren we inderdaad dat Pilatus gevoelig was geworden voor wat de keizer over hem kon denken. Hoewel hij geen gronden had gevonden voor de doodstraf voor Jezus, gaf hij toe aan de druk van de joodse leiders. Hij was bang dat ze hem zouden rapporteren aan de keizer als hij iemand had vrijgelaten die had gezegd: «Ik ben de koning van de Joden». Herodes Antipas voelde zich vereerd toen Pilatus Jezus naar hem verwees, maar hij stuurde de verdachte toch terug. Pilatus deed zijn uitspraak en waste zijn handen. Volgens Lukas 23:12 «werden op denzelfde dag Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen den anderen».


Een goede man?

In hoofdstuk 1 van De meester en Margarita zegt Michail Berlioz dat Philo van Alexandrië (20BC-50) en Titus Flavius Josephus (37-100) «met geen woord ooit van het bestaan van ene Jezus hebben gerept». In onze bijdrage over Jesjoea Ha-Notsri beschreven we hoe Berlioz zich, althans wat Flavius Josephus betreft, vergiste. Of misschien ook niet. Ze hebben echter wél allebei over Pontius Pilatus geschreven, Flavius Josephus in De oude geschiedenis van de Joden, en Philo van Alexandrië in Bezoek aan Gaius. Uit hun geschriften leren we dat Pilatus onbuigzaam was, en een meedogenloos harde natuur had. Zijn bewind werd gekenmerkt door corruptie, gewelddaden, mishandelingen, voortdurende terechtstellingen zonder veroordeling en grenzeloze wreedheid. Dat zou wel eens de reden kunnen zijn waarom Pilatus in De meester en Margarita zo verwonderd is over het feit dat Jesjoea hem een «goede man» noemde.


Het einde van Pilatus

In 36 taande het gezag en de invloed van Pilatus. Na een incident waarbij hij een aantal Samaritanen had laten ombrengen, werd over hem geklaagd bij Lucius Vitellius (5BC-51), de gouverneur van Syrië. Die gebood Pilatus naar Rome te gaan om tekst en uitleg te geven aan keizer Tiberius. Maar toen Pilatus  op 16 maart 37 in Rome aankwam was Tiberius al gestorven. Pilatus zou dan nog als keizerlijk ambtenaar gediend hebben in Zuid-Frankrijk waar hij ook overleden zou zijn, maar daar bestaat geen zekerheid over. Andere bronnen suggereren dat hij in Italië zou gestorven zijn, al dan niet door zelfmoord.



Deze pagina delen |