Pontius Pilatus
Nederlands > De personages > Bijbelse personages > Pontius Pilatus
Rol
Pontius Pilatus is de procurator van Judea die normaal graag in zijn residentie in Caesarea Stratonova verblijft, maar die nu in het paleis van Herodes de Grote in Jersjalajim de dagen van het Joodse feest van Pesach doorbrengt. Hij moet oordelen over een zekere Jesjoea Ha-Notsri. Het Sanhedrin, de Joodse rechtbank, heeft hem ter dood veroordeeld. Omdat Ha-Notsri een Galilieër is, had Pilatus zijn zaak doorverwezen naar de tetrarch, maar die weigerde zelf een beslissing te nemen en heeft het doodvonnis van het Sanhedrin ter bekrachtiging aan hem gedelegeerd. Pilatus besluit de man te ondervragen en raakt door hem geboeid. De ontmoeting evolueert van een typische ondervraging naar een gesprek, waarin Ha-Notsri intrigerende dingen vertelt, en nog intrigerender dingen doet. Hij weet van de erge hoofdpijn waar de procurator mee zit, en zorgt ervoor dat die verdwijnt. En passant maakt hij een scherpe, maar correcte analyse van de gemoedstoestand van de hegemoon. Pilatus is geneigd hem onschuldig te verklaren of hem hoogstens te verbannen naar Caesarea Stratonova aan de Middellandse Zee. Maar een diplomatiek onderhoud met hogepriester Josef Kajafas dwingt hem tot een andere uitspraak. Het doodvonnis van Ha-Nostri wordt bevestigd.
Jesjoea wordt samen met twee andere veroordeelden, Dismas en Hestas, terechtgesteld op de Schedelberg. Er volgt een verschrikkelijke wolkbreuk, de stortbeken achtervolgden de soldaten nog eer deze de voet van de heuvel konden halen. Het lichaam van Ha-Notsri verdwijnt. In een onderhoud met Afranius, het hoofd van de geheime dienst, kan Pilatus nauwelijks zijn genegenheid voor Ha-Notsri verbergen. Hij probeert Afranius uit te horen over de terechtstelling en vooral over Jehoeda uit Karioth, de man die, in ruil voor dertig tetradrachmen, geholpen heeft bij de arrestatie van Jesjoea. Pilatus fluistert Afranius toe dat hij erover werd ingelicht dat ze Jehoeda van Karioth gaan afmaken, en vraagt om hem in bescherming te nemen.
Pilatus krijgt buien van zwaarmoedigheid, zielskwellingen en vlagen van helse hoofdpijn die lang nazinderen. De enige die hij liefheeft, en die hem liefheeft, is Banga, zijn hond.
Ondanks de maatregelen van de geheime dienst om Jehoeda in het oog te houden wordt hij toch neergestoken door twee mannen met een derde erbij, een man in een capuchon. Na de moord rijdt deze naar het paleis van Herodes. Afranius vindt de moordenaar niet, maar weet wel wie het lichaam van Ha-Notsri meegenomen heeft. Het is Mattheus Levi, waarmee Pilatus een gesprek heeft. Pilatus wil Levi's perkament lezen waarop hij zo nauwgezet de woorden van Jesjoea heeft genoteerd. Na het gelezen te hebben biedt hij hem een functie als bibliothecaris in Cesarea, maar Levi weigert. Hij zegt dat hij desnoods de rest van zijn leven zal wijden aan het proberen te vermoorden van Jehoeda. "Doe maar geen moeite", antwoordt Pilatus daarop, "dat is al gebeurd. Door mij."
Op het einde van de roman, wanneer de duivels met de meester en Margarita hun laatste vlucht hebben, houden ze halt op een vreugdeloos bergplateau bij een man met een hond. Hij lijkt wel doof of in gedachten verzonken. Het is Pilatus, die daar al bijna tweeduizend jaar zit, gekweld door zijn onsterfelijkheid en ongewilde roem. Woland geeft de meester de toestemming om hem te bevrijden. Die vormt met zijn handen een spreektrompet en schreeuwt: "Je bent vrij! Vrij! hij wacht op je!". En Pilatus snelt, vergezeld van zijn trouwe waker Banga, de maanweg op...
Achtergronden
Met de landsnaam Palestina werd in de Romeinse tijd de streek aangeduid tussen de Jordaan en de Middellandse Zee. Van 37BC tot 4BC was Herodes de Grote (73BC-4BC) er koning, hij was benoemd door de Romeinse Senaat en had de eed van trouw aan de Romeinen afgelegd. Na zijn dood werd zijn koninkrijk verdeeld onder zijn drie nog levende zonen (hij had er eerst drie andere - Alexander, Aristobulus en Antipater - wegens vermeende opstandige plannen laten terechtstellen). Herodes Antipas (20BC-39) kreeg zeggenschap over Galilea en Perea, zijn halfbroer Herodes Filippus (4BC-34) regeerde over de Decapolis en het noordwesten. Een derde broer, Herodes Archelaüs (23BC-18), regeerde oorspronkelijk over Judea, Samaria en Idumea. Maar hij werd in het jaar 6 door keizer Augustus afgezet. Zijn gebied werd vanaf dan bestuurd door een procurator of prefect onder toezicht van de stadhouder van de Romeinse provincie Syrië. Van 26 tot 36 was dat Pontius Pilatus. Herodes Antipas en Herodes Filippus waren tetrarchen. Een tetrarch - een viervorst - is de heerser over een vierde deel van het grondgebied. In de eerste eeuw van onze tijdrekening gebruikten de Romeinen deze term echter ook om de vorst van een klein deelgebied van hun uitgestrekte rijk aan te duiden.
In De meester en Margarita vraagt Pilatus aan zijn secretaris: "De beklaagde komt uit Galilea, is zijn zaak naaqr de tetrarch doorverwezen?" Pontius Pilatus stuurde volgens de bijbel Jezus naar Herodes toe om een vonnis te vellen. Dit zou bedoeld geweest zijn om hem te vleien omdat hij sinds een voorval het jaar ervoor, waarbij hij Judas Gaulonita (Judas de Galileeër) had laten ombrengen in de tempel, in onmin leefde met Herodes. Herodes voelde zich vereerd, maar stuurde Jezus toch terug naar Pilatus. Deze laatste velde zijn oordeel en waste zijn handen daarna in onschuld. Sinds dit voorval werden Herodes en Pilatus opnieuw met elkaar bevriend.
Het hele gebied was in die periode verscheurd door godsdiensttwisten (conservatieve Joden tegen Joden die aanleunen tegen de Griekse invloeden) en ethnische twisten (Joden tegen Samaritanen, de inwoners van Samaria, die in dezelfde god geloven als de Joden, maar van onzuiver bloed zijn) en zwichtend onder Romeinen en hun collaborerende zetbazen.
De historische Pilatus zou een onbuigzaam en meedogenloos harde natuur gehad hebben, zijn stadhouderschap werd gekenmerkt door corruptie, gewelddaden, mishandelingen, voortdurende terechtstellingen zonder veroordeling en grenzeloze wreedheid. Pilatus heeft z’n residentie in Caesarea Stratonova. Hij stuurt in januari een garnizoen soldaten in winterkwartier naar Jeruzalem. Er volgen onlusten. Tegen zijn zin komt Pilatus dan zelf naar Jeruzalem en verblijft in het paleis van Herodus de Grote, wat Boelgakov tot de volgende dialoog inspireerde tussen de man met de capuchon (Afranius) en Pilatus:
- Houdt de procurator niet van Jersjalajim?
- Grote genade! Er bestaat geen troostelozer oord op aarde.
Pilatus vervolgde met te zeggen dat hij snakt naar het einde van de feesten, want dan kon hij "eindelijk terug naar Caesarea".


