Vrijmetselarij in De meester en Margarita

Nederlands > Context > Historisch en politiek > Vrijmetselarij

Inleiding

De aandachtige lezer zal veel vrijmetselaarssymbolen beschreven zien in De meester en Margarita. De vrijmetselarij of maçonnerie is een internationaal verbreide, maar regionaal gestructureerde, broederschap van mensen die streven naar «geestelijke en morele verheffing», «onderlinge waardering» en «wederzijdse hulp». De lokale verenigingen worden loges genoemd, de leden noemen zichzelf logebroeders.

Vaak worden vrijmetselaars ook (fra)maçons genoemd. Deze benaming komt van het Franse woord frère-maçon, wat broeder-bouwer betekent. De vereniging is een eedverbond met een initiatieritus, waarin de leden zwijgplicht zweren met betrekking tot het reilen en zeilen van de vrijmetselarij en van andere vrijmetselaars. De rituelen van de vereniging zijn ontleend aan de mysterietoneelstukken van het oude Egypte en het oude Griekenland.

De bij het ruime publiek meest bekende symbolen van de vrijmetselarij zijn de passer en de winkelhaak. De oorsprong daarvan ligt in het verhaal van Hiram Abiff, die in de tijd van Koning Salomon (972BC-932BC) beschouwd werd als de meest slimme en meest bekwame architect en bouwheer die ooit heeft bestaan. Onder zijn leiding zouden 183.600 ambachtslieden, voormannen en dwangarbeiders ingezet geweest zijn om de Tempel van Salomon te bouwen. Hiram Abiff zou zo goed geweest zijn omdat hij de geheimen kende van het meesterschap, en geheime woorden die hem zouden hebben geholpen bij de uitvoering van het bouwwerk. Op een dag wilden drie leerlingen hem dwingen om hen deze geheimen te vertellen, en toen de Grootmeester dat weigerde werd hij vermoord met zijn passer, zijn winkelhaak en een hamer.

De inwijding van een lid gebeurt niet in één keer, maar in afzonderlijke stappen of graden op continue wijze. Bij elke stap boekt men vooruitgang in zijn inwijding of initiatie. Bij elke graadverhoging wordt een nieuw stuk kennis of inzicht, dat voorheen nog niet aanwezig was, verworven. Alle loges kennen de drie basisgraden van Leerling, Gezel en Meester. Deze drie graden, ook bekend als de graden van de blauwe vrijmetselarij, moeten systematisch doorlopen worden door elke vrijmetselaar. Naast de drie graden van de blauwe vrijmetselarij wordt er in veel loges ook gewerkt met hogere graden, die beginnen waar de blauwe vrijmetselarij ophoudt. In de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus, bijvoorbeeld, volgen nog 30 andere graden, waarvan de 4de tot 18de graad de rode vrijmetselarij, de 19de tot 30ste graad de zwarte vrijmetselarij en de 31ste tot 33ste graad de witte vrijmetselarij worden genoemd.


Afanasi Ivanovitsj Boelgakov

In 1903 had Afanasi Ivanovitsj Boelgakov (1859-1907), theoloog en kerkhistoricus, en de vader van Michail Afanasievitsj, een artikel geschreven over De moderne vrijmetselarij in haar relatie met de kerk en de staat, dat gepubliceerd werd in de Akten van de Theologische Academie van Kiev. In een tijd dat de vrijmetselarij vanuit verschillende hoeken werd bestempeld als een vereniging van duivelaanbidders, of dat gesuggereerd werd dat de vereniging een instrument zou zijn in handen van Joden, onderzocht Boelgakov senior hoe de de vrijmetselaars, met hun officieel beleden religieuze onverschilligheid, zich verhielden tot de verschillende godsdiensten. Daarnaast beschreef hij ook de graden van de vrijmetselarij en de maçonnieke inwijdingsritus. Hij kwam tot de conclusie dat «de historische waarde van de vrijmetselarij tot op heden hoofdzakelijk onbekend blijft, omdat ze slechts bij benadering kan worden gedefinieerd. Net zoals de Orde van de Jezuïeten, bijvoorbeeld, is de kennis alleen beschikbaar voor een beperkt aantal volledig toegewijde leden».

Afanasi Boelgakov schreef ook over de wijdverspreide verzinsels over de vrijmetselarij. Daarbij beschreef hij onder meer de polemieken rond de Franse schrijver en journalist Marie Joseph Gabriel Antoine Jogand-Pagès (1854-1907), die in 1875 de schuilnaam Léo Taxil aannam.

Taxil was aanvankelijk zeer antiklerikaal. Mede daardoor werden zijn teksten gretig gepubliceerd in de Sovjetunie. In 1886 kondigde hij evenwel zijn bekering aan tot zijn vroegere geloof en ging hij op bedevaart naar Rome, waar paus Leo XIII (1810-1903) hem absolutie verleende. Toen begon hij een campagne tegen de vrijmetselarij. Hij was zelf ingewijd geweest in de loge Le temple des amis de l'honneur français maar werd daar geroyeerd vanwege valsheid in geschrifte. Onder het pseudoniem Docteur Bataille publiceerde hij dan in 1895 het boek Le Diable au XIXème siècle of De duivel in de 19de eeuw waarin de vrijmetselaars werden beschuldigd van duivelsaanbidding en wereldwijde samenzweringen. In dit werk werden echte en vermeende vrijmetselaars opgevoerd met zogenaamd onthullende getuigenissen. In 1897, tijdens een conferentie in de grote zaal van de Société de Géographie in Parijs, moest Taxil evenwel bekennen dat hij alles verzonnen had. Zijn bekentenis werd met verontwaardiging onthaald. Toen Taxil naar buiten wilde gaan, moest de politie hem door de menigte naar een nabijgelegen café loodsen. Maar ondanks de bekentenis van Taxil duiken er ook nu nog regelmatig anti-maçonnieke teksten op die zich op dit boek baseren en het is nog steeds één van de vaak gebruikte bronnen voor beschuldigingen tegen de vrijmetselarij.

Het betoog van Afanasi Boelgakov had ook een zekere antisemitische ondertoon. Volgens Boris Vadimovitsj Sokolov (°1957), de auteur van de Boelgakov Encyclopedie, zou dat verklaren waarom op bepaalde momenten in het werk van Boelgakov antisemitische reflexen te zien zijn.


Vrijmetselarij in de Sovjetunie

In 1926, twee jaar vóór Boelgakov aan De meester en Margarita begon te schrijven, werden in de Sovjetunie verschillende vrijmetselaars opgepakt, de meesten in Leningrad, waar een zestal loges bleken te bestaan. Eén van de arrestanten, de advocaat Boris Viktorovitsj Kiritsjenko (1883-1941?), die door het leven ging onder de schuilnaam Boris Viktorovitsj Astromov, en die ook nog cavalerie-officier en hypnotiseur is geweest, verklaarde dat hij al 2000 jaar oud was en een volgeling van Immanuel Kant (1724-1804) was. Astromov werd veroordeeld omdat hij zou geholpen hebben bij een «internationale bourgeois-samenzwering tegen de Sovjetunie». Hij kreeg een gevangenisstraf in een concentratiekamp voor vijf jaar, later vervangen door een periode van drie jaar. In december 1926 kreeg hij gratie en werd hij verbannen naar Siberië. In 1940 werd hij opnieuw gearresteerd door de NKVD. Nadien werd niets meer over hem vernomen.

Aandachtige lezers zullen reeds een aantal verbanden hebben opgemerkt - in De meester en Margarita wordt Woland door de autoriteiten beschreven als een hypnositeur, zegt hij dat hij 2000 jaar eerder bij Pilatus was geweest, en zegt Bezdomny dat Kant voor drie jaar naar Solovki moest worden gestuurd.

Astromov, die onder het pseudoniem Boris Watson enkele rollen gespeeld heeft in films als «Чудотворец» (1922) of De wonderdoener, «Скорбь бесконечная» (1922) of Het eindeloze lijden, «Красные партизаны» (1924) of De rode partizanen, schreef vanuit de gevangenis een brief naar Stalin, waarin hij fijntjes opmerkte dat de Sovjetunie enkele symbolen van de vrijmetselaars had overgenomen. Hij verwees daarbij naar het pentagram of de vijfpuntige ster die voormalig partij-ideoloog Lev (Leiba) Davidovitsj Bronstein (1879-1940), beter bekend als Lev Trotski, als Volkscommissaris voor Leger en Maritieme Aangelegenheden bij het Rode Leger had ingevoerd, of de hamer en de sikkel in de vlag van de Sovjetunie.

Overigens waren nog een ander symbool van de vrijmetselarij prominent aanwezig in het leven van de Sovjetburgers in die tijd. De bankbiljetten van 250 roebel en van 1.000 roebel uit 1917 hadden een swastika als watermerk. De swastika was een teken dat, nog vóór de runetekens, voorkwam op heel wat artefacten in Europa en Indië, en dat voornamelijk geluk en welzijn symboliseerde, tenminste tot de Nazi’s het gingen gebruiken en het een heel andere betekenis kreeg. In de vrijmetselarij werd de swastika beschouwd als een oude voorganger van de letter G. De G staat voor God, voor het Griekse woord γνώση [gnosi] of kennis, of voor het geestelijk licht van de Grote Geometer. Sommigen verwijzen ook naar de Griekse letter gamma die eveneens de vorm heeft van een winkelhaak. Op het biljet van 250 roebel is over de swastika heen een dubbele adelaar gedrukt. Die staat symbool voor de Ridders van Kadosh, de 30ste graad in de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus.

De biljetten met de swastika werden ingevoerd onder Aleksandr Fjodorovitsj Kerenski (1881-1970), toen hij, na de afzetting van de tsaar, de tweede premier van de Russische Voorlopige Regering was. Kerenski was lid van de vrijmetselaarsloge Верховный Совет ДПШУ России [Verkhovni Sovjet DPSHU Rossii] of de Hoge Raad van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus voor de Russen. Twee andere vrijmetselaars, Vladimir Lenin (1870-1924) en Lev Trotski, vonden echter dat dit symbool op de bankbiljetten te expliciet was en vreesden ervoor dat het Russische volk de revolutie zou zien als een samenzwering van vrijmetselaars en Joden - wat sommigen trouwens ook deden en nog steeds volhouden. Daarom verwijderden zij de swastika en vervingen ze door de bekende hamer en sikkel. De Hoge Raad van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus voor de Russen bestaat nog steeds,en heeft een Facebook pagina.

Klik hier om de Facebookpagina van de Raad te bekijken


Samenzweringstheoriën

Er zijn heel wat theorieën gepubliceerd over de rol die de vrijmetselarij zou gespeeld hebben bij de Franse Revolutie van 1789-1799, bij het verspreiden van de communistische ideologie, en bij de Russische Revolutie in 1917. Aangezien geheimhouding één van de kenmerken is van de loges is, is het moeilijk om dit te bevestigen. In elk geval waren enkele pioniers van de Sovjetunie actieve leden van één of meerdere vrijmetselaarsloges, of hadden ze er nauwe banden mee.

De Duitse filosoof Karl Marx (1818-1883) die met zijn geschriften de ideologische basis voor de Sovjetunie heeft geformuleerd, heette bij zijn Joodse naam Chaim Hirschel Mordechai. Zijn vader, Hirschel Mordechai (1777-1838), werd lid van de Loge L'Ètoile anséatique in Osnabrück in 1813.

Vladimir Iljitsj Lenin (1870-1924) was een logebroeder van de 31ste graad met de titel van Grootinspecteur-Inquisiteur-Commandeur. Hij was lid van de Franse loge Art et Travail. In 1914 trad hij ook toe tot Les Neuf Sœurs of De negen zusters en de Union de Belleville, twee loges behorend tot de Grand Orient de France. Deze informatie werd onder meer bevestigd door de Britse schrijver en politicus Winston Churchill (1874-1965), die zelf lid was van de Britse Studholme Lodge sinds 1901.

Lev Trotski had de vrijmetselarij reeds grondig bestudeerd in 1898, toen hij gevangen zat in Odessa wegens zijn vakbondsactiviteiten. Net als Lenin was hij lid van de Franse loge Art et Travail. In 1916 volgde hij een opleiding in revolutionaire technieken bij de Franse loge Les droits de l’homme. In januari 1917 werd hij ook lid van de machtige Joodse loge בני ברית [B'nai B'rith], die in de lente van dat jaar zijn terugkeer naar Rusland financierde, en van de Memphis-Misraim loge, die geleid werd door de Italiaanse nationalist Giuseppe Garibaldi (1807-1882). Tenslotte was hij ook lid van de Shriner Lodge, een in Florida gebaseerde orde die alleen leden vanaf de 32ste graad accepteert. In 1919 bereikte Trotski de 33ste en hoogste graad ter gelegenheid van een ontvangst van logebroeders uit het buitenland in Moskou.

Uit de archieven van de geheime dienst KGB zou ook gebleken zijn dat de eerste Volkscommissaris voor verlichting van de Sovjetunie, Anatoli Vasiljevitsj Loenatsjarski (1875-1933), lid was van de Grand Orient de France. De Britse journalist Victor Emile Marsden (1866-1920), die in 1918 in zijn pamflet Joden in Rusland had proberen te bewijzen dat de Russische Revolutie een Joodse samenzwering was, had ontdekt dat Loenatsjarski een Jood was, en dat zijn Hebreeuwse naam Bailich Mandelstam was.


Vrijmetselarij in De meester en Margarita

Aan de Patriarchvijver

Op het deksel van de sigarettenkoker die Woland aan Ivan toont bij de Patriarchvijver «schitterde bij het opengaan een wit-blauw vuur in een driehoek van briljanten». Blauw is de hoogste kleur van de vrijmetselarij. Het staat symbool voor perfectie, waarheid en onsterfelijkheid. Een driehoek met het zogenaamde alziend oog hangt in alle tempels van vrijmetselaarsloges aan de wand tegenover de ingang, in wat symbolisch als het oosten wordt aangeduid.

Volgens de Russische Boelgakovexpert Boris Vadimovitsj Sokolov (°1957), auteur van de Boelgakovencyclopedie, zou de naam Массолит [Massolit] een afkorting kunnen zijn van de term Масонские литературы [Masonskije literatoeri] of Maçonnieke schrijvers. Sokolov argumenteert zijn stelling door te verwijzen naar het artikel van Afanasi Ivanovitsj Boelgakov (1859-1907), die had geschreven dat de vrijmetselaars een nieuw geloof wilden invoeren. Een vals geloof, volgens hem, want hun enige betrachting zou het verhogen van de persoonlijke welvaart van de leden geweest zijn. Dat lijkt mij echter wat ver gezocht. In dat geval zou het Масолит [Masolit] geweest zijn, met slechts één «s», quod non. Massolit is meer dan waarschijnlijk een afkorting van Мастера Социалистической литературы [Mastera Sotsialistitsjeskoj literatoera] of Meesters van de socialistische literatuur.


Het appartement van Woland

De eerder vermelde arrestaties in het appartement van de vrijmetselaars in Leningrad werden uitgevoerd door de OGPU, de voorloper van de geheime politie NKVD. In hun verslag kan de volgende beschrijving worden gelezen:  «Het interieur van deze vrijmetselaarsloge zou een aanwinst zijn voor gelijk welk museum. We zagen hier oude portretten van de grote vrijmetselaars, die thuishoren in de gelederen van de dwepers van het genie. We zagen hier geheime lampen van 300 jaar oud, astrale knopen, de echte ringen van Cagliostro, Indiase harsen en Japanse wierook, de gebeentesleutels van de Jezuïeten, Tangar beeldjes, wandtapijten geborduurd in blauw goud, en zelfs de originele eed van trouw van de Maltezer ridders, ondertekend door Paul I.»

In een eerdere versie van De meester en Margarita vulden soortgelijke voorwerpen het appartement op Sadovaja: veel tapijten, een gouden kelk op een sokkel voor de heilige gaven, de katholieke zwarte soutane van Woland, gemaakt van gouden brokaat met omgekeerde kruisen, en een kat met turkooise ogen zittend op een bank. En Sokov, de buffetchef van het Variététheater, zag bij het verlaten van het appartement een tempel, waar hij, in plaats van een icoon, «een foto met de heiligste inhoud» zag.

De Paul I die in het verslag van de OGPU wordt vermeld is tsaar Paul I van Rusland (1754-1801). Toen de Soevereine Militaire Hospitaal Orde van Sint Jan van Jeruzalem, van Rhodos en van Malta, beter bekend als de Maltezer Ridderorde in 1799 verdreven werd uit Malta als gevolg van de napoleontische oorlogen, werd de zetel van de Orde verplaatst naar Sint-Petersburg, waar tsaar Paul I bereid was om als beschermer en grootmeester van de orde op te treden, dit ondanks protest van de Heilige Stoel. Net als alle andere Orden, werd ook de Maltezer Orde in 1918 door de Sovjets afgeschaft.

De ondervraging van Sokov in het appartement van Woland doet eveneens denken aan de test die vrijmetselaars ondergaan vóór ze worden ingewijd als Ridder van Kadosh of Ridder van de witte en de zwarte adelaar, de 30ste graad in de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus. Zij worden dan onder meer beoordeeld op hun houding tegenover de Zeven hoofdzonden: hoogmoed, hebzucht, onkuisheid, afgunst, gulzigheid, gramschap en vadsigheid. Sokov, die geen wijn drinkt en niet geïnteresseerd lijkt in vrouwen, vertoont echter tekenen van hebzucht, en werd boos toen Woland hem vroeg wanneer hij ging sterven. Hij slaagt dus niet voor de test en zal het licht niet zien.

Wanneer de buffetmeester het appartement verlaat, merkt hij plots dat hij een fluwelen baret draagt met een verfomfaaide haneveer. Dat is beduidend minder waardig dan de «breedgerande hoed van zwart vilt, met een pluim van struisvogelveren aan de linkerkant» die de ridders van Kadosh volgens de voorschriften moeten dragen tijdens de vrijmetselaarsrituelen.


De transformatie van Ivan Bezdomny

In het begin van De meester en Margarita is de jonge dichter Ivan Bezdomny een onbenul. Wanneer hij Woland en zijn gevolg achterna rent, ontdoet hij zich van zijn kleren aan de Moskourivier. De kleren die hij aantrekt in plaats van «de ruitjespet, houthakkershemd, kreukelige witte broek en zwarte gymnastiekschoenen» die hij bij de Patriarchvijver droeg, zouden kunnen verwijzen naar het inwijdingsritueel in de eerste graad van de vrijmetselarij, waar de kandidaat-leerling in sjofele kledij wordt binnengebracht. Meestal draagt hij, zoals Bezdomny, een goorwit hemd dat half is opengemaakt. De kandidaat is ook geblinddoekt. In de derde versie van De meester en Margarita uit 1933 was Ivan tijdelijk blind toen hij in de kliniek werd opgenomen.

Wanneer Bezdomny in het ziekenhuis van dokter Stravinski wordt binnengebracht, wordt hij door een door blauwe nachtlampen verlichte gang gebracht. Opnieuw zien we een verwijzing naar de vrijmetselarij. Bij het inwijdingsritueel voor leerling wordt de kandidaat immers binnengeleid in de «kamer van overdenking», een duister hok, meestal in de kelder van het tempelgebouw.

Vóór een leerling wordt toegelaten om ingewijd te worden, wordt hij onderworpen aan een grondige ondervraging, vergelijkbaar met deze die Ivan ondergaat, zelfs over «oom Fjodor uit Vologda die zwaar aan de drank was geweest». Bij die ondervraging zal de kandidaat niemand van de vrijmetselaars leren kennen, buiten de hem al bekende onderzoekers. Pas nadien zal hij de Grootmeester ontmoeten. In de roman wordt de ondervraging van Ivan uitgevoerd door «drie in het wit gestoken personen, twee vrouwen en een man». Pas daarna zal hij dokter Stravinski persoonlijk ontmoeten.

Later, in hoofdstuk 11 van de roman, ondergaat Ivan een transformatie en wordt hij steeds verstandiger, om uiteindelijk, aan het einde van de roman, professor te worden aan het Instituut voor Geschiedenis en Wijsbegeerte, waar hij niet langer Ivan Bezdomny wordt genoemd, maar professor Ivan Nikolajevitsj Ponyrjov. En de meester zal hem op maçonnieke wijze zeggen: «Ik heb alles al gezien, ik weet alles... Vaarwel, mijn leerling».


Het bal van Woland

De Russische Boelgakovexpert Boris Vadimovitsj Sokolov (°1957), auteur van de Boelgakovencyclopedie, ziet ook in het bal van Woland een aantal verwijzingen naar de riten van de vrijmetselarij.

De binnenkomende gasten begroeten Margarita door haar knie te kussen. Sommigen zien hierin een verwijzing naar de vrijmetselarij, door op te merken dat de leerlingen bij hun inwijding hun rechterknie moeten ontbloten. De gasten op het bal kussen immers Margarita’s rechterknie.

Nadat Margarita de gasten op het bal verwelkomd heeft, ontmoet zij Woland. Hij heeft gelapte pantoffels aan. Leerlingen die worden ingewijd in de eerste graad van de vrijmetselarij, moeten hun rechterschoen vervangen door een pantoffel. Verder zijn de mannelijke gasten op het bal gekleed in zwarte rok en lakschoenen. Dat is de voorgeschreven kleding voor de logebroeders die aanwezig zijn op de inwijding. Eerder in de roman, in hoofdstuk 18, had Hella al telefonisch aan baron Meigel verteld dat dit de voorgeschreven kleding voor de mannen op het bal zou zijn: «Jaquet of een zwart jasje».

De scène waarin Woland het hoofd van Berlioz verandert in een schedel, zou kunnen geïnspireerd geweest op één van de beweringen  van Docteur Bataille, alias Léo Taxil, in het hierboven vermelde Le Diable au XIXème siècle, waarover de vader van Boelgakov in 1903 had geschreven. In dat controversiële boek had Léo Taxil namelijk beweerd dat Hyman Isaac Long (?-?), één van de stichters van de Ancient and Accepted Scottish Rite of de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus in Charleston, South Carolina, de schedel van Jacques Bourguignon de Molay (1243-1314), de laatste Grootmeester van de Tempeliers in zijn bezit zou gehad hebben. In 1801 zou Long deze schedel een plaats hebben gegeven in de raadshal van de loge in Charleston. Sedertdien zou, elk jaar op 11 maart, die schedel  beginnen te spreken en vuur te spuwen.

Aan het einde van het bal, toen het bloed van baron Meigel werd opgevangen in de schedel van Berlioz, zette Woland de schedel aan zijn lippen, en vond er een metamorfose plaats. Het verstelde hemd en de gelapte pantoffels die Woland eerst droeg waren verdwenen. Nu droeg hij een zwarte chlamys en aan zijn heup hing een stalen zwaard. Een chlamys was een korte ruiter- en reismantel van de oude Grieken, die uit Macedonië of Thessalië stamde. De zwarte chlamys en het zwaard stemmen overeen met de uitdossing van een Ridder van Kadosh of Ridder van de witte en de zwarte adelaar, de 30ste graad in de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus.

Woland zette eerst zelf de schedel aan zijn lippen, maar daarna gaf hij de bokaal aan Margarita en beval haar te drinken.  Dat verwijst naar de bezegeling van de broederschap door de vermenging van het bloed tijdens de initiatie tot leerling-vrijmetselaar. De vermenging wordt symbolisch uitgebeeld door een beker rode wijn waarvan achtbare meester en kandidaat samen drinken.

Ook in het rituaal voor de graad van Ridder van het Oosten en het Westen, de 17de graad in de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus, speelt het bloed een belangrijke rol. De Opzieners brengen de kandidaat naar een bekken, waar ze een mesje en een weinig rode wijn gereed houden. Ze naderen dan de kandidaat, laten enige druppels op zijn arm vallen terwijl zij net doen alsof zij hem aderlaten. Als het «bloed» zichtbaar stroomt vangen ze het op in een doek, laten die aan de kandidaat zien en zeggen: «Men moet nooit bang zijn om zijn bloed te vergieten om wonderbaarlijke dingen te kunnen aanschouwen».


Manuscripten verbranden niet

Ook de scène waarin Woland aan de meester het verbrande manuscript van zijn roman teruggeeft, zou kunnen geïnspireerd geweest zijn door Le Diable au XIXème siècle. Léo Taxil beweerde namelijk ook dat Albert Pike (1809-1891), Grootmeester van de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus in Charleston en opvolger van Hyman Isaac Long, zijn instructies rechtstreeks van de duivel kreeg. Zo zou Pike, volgens Taxil, samen met een vriend tot Lucifer gebeden hebben toen hij inspiratie zocht om het charter van de loge te herschrijven. Dat charter zou later gepubliceerd worden onder de titel Morals and Dogma of the Ancient and Accepted Scottish Rite of Freemasonry.

Na zijn bede tot Lucifer zou Pike op een eiken stoel een manuscript gevonden hebben, terwijl zich een scherpe geur van zwavel verspreidde. Het manuscript was volgens «Docteur Bataille» in het Latijn geschreven, maar was vergezeld van vertalingen in het Engels, Spaans, Frans, Duits, Portugees en Nederlands. Onderaan zou het monogram van Beëlzebub gestaan hebben.


De lotsbestemming van de meester

Op het einde van de roman stuurt Jesjoea een boodschapper naar Woland in de persoon van Mattheus Levi. De boodschap gaat over het lot van de meester: «Niet het licht komt hem toe, rust komt hem toe». Boelgakovexpert Boris Vadimovitsj Sokolov (°1957), de auteur van de Boelgakov Encyclopedie, ziet hierin een verband met de vrijmetselarij, hoewel hij dat niet zo duidelijk aantoont. Hij argumenteert dat vrijmetselaars worden beschouwd als «kinderen van het licht» en ziet een verband met de Faust van Johann Wolfgang Goethe (1749-1832). Welk verband, dat verduidelijkt hij niet.

In elk geval was Goethe een vooraanstaand vrijmetselaar. Op 23 juni 1780, de vooravond van het feest van Johannes de Doper, de belangrijkste feestdag van het jaar voor de Duitse vrijmetselaars, trad hij toe tot Amalia, een loge in Weimar. Hij had wel gevraagd om geen blinddoek te moeten dragen bij zijn inwijding. Hij beloofde op zijn erewoord dat hij zijn ogen gesloten zou houden. Goethe heeft veel gedichten geschreven ter gelegenheid van maçonnieke gebeurtenissen. Zo schreef hij in 1830 bijvoorbeeld Dem würdigen Bruderfeste: «Fünfzig Jahre sind vorüber», een poëtische dankrede bij zijn 50-jarig jubileum als vrijmetselaar.

De Belgische wiskundige, hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie Jean Paul Van Bendegem (°1953), een eminent vrijmetselaar, zegt over de betekenis van het licht: «Het licht speelt een grote rol in de vrijmetselarij. Een nieuw lid krijgt bij zijn inwijding 'het licht', een ritueel dat zijn oorsprong vindt in het verlichtingsdenken. Vrijmetselaars gebruiken het licht echter ook in de Bijbelse betekenis. Ze laten zich inspireren door het evangelie van Johannes: 'Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen'.» Als deze stelling terecht is, zou de meester dus geen toegang gekregen hebben tot de «hemelse majesteit», en is rust dus een mindere beloning dan licht. De Russische criticus Jevgeni Kantsjoekov, bijvoorbeeld, schreef in 1991 in zijn artikel Расслоение мастера [Rasslojenije mastera] of De gelaagdheid van de meester, gepubliceerd in het literair tijdschrift Литературное обозрение [Literatoernoje obozrenije] of Literaire recensie, dat de vrede voor de meester een soort straf was. Hij vergeleek daarvoor de lotsbestemming van Mattheus Levi met die van de meester. Levi bood weerstand, pleegde verzet en bleef schrijven, en hij mocht zich dus bij Jesjoea in het licht vervoegen. De meester gaf op, verbrandde zijn manuscript en wendde zich af van zijn roman. Hij toonde dus lafheid, de «grootste ondeugd», en verdiende daarom het licht niet.


De gedaanteverandering van Korovjev

In hoofdstuk 32, waarin de meester en Margarita met Woland en zijn gevolg hun laatste vlucht maken, ondergaan ze een gedaanteverandering. Korovjev verandert in een donkerpaarse ridder, waarover Woland zegt: «Deze ridder heeft een misplaatst grapje gemaakt. […] In een gesprek over het licht en het duister maakte hij een woordspeling die niet zo best aankwam.»

De beschrijving van de kleding van Korovjev, de gouden ketting van de teugels en het gebruik van het woord ridder zouden al een verwijzing kunnen zijn naar de vrijmetselarij, maar de woordspeling over het licht en het duister is er vrijwel zeker een.

In 1946 schreef Albert Mackey (1807-1881), een vooraanstaand vrijmetselaar uit Charleston, South Carolina, in zijn Encyclopedia of Freemasonry: «Vrijmetselaars worden vooral de Zonen van het Licht genoemd, omdat zij in het bezit zijn van de ware betekenis van het symbool. Er wordt gesteld dat de oningewijden die deze kennis niet hebben ontvangen zich in de duisternis bevinden.» Terwijl de vrijmetselaar zich door de verschillende gradaties van de Loge omhoog werkt, ontvangt hij het ware licht en wordt hij als verheven beschouwd boven mensen aan wie de mysteries van de vrijmetselarij niet zijn geopenbaard.

Over leerstellingen als deze mogen geen grappen gemaakt worden. Artikel 16 van de Gedragscode voor vrijmetselaars vermeldt, onder de titel Geen grappen of onkiese verhalen: « Waarom? De grote lessen van de vrijmetselarij, die worden onderwezen tijdens onze rituelen, mogen nooit worden vernederd door lichtzinnigheden of guitigheden. De logekamer is niet de geschikte locatie voor het vertellen van grappen, guitigheden, onstuimigheden noch onkiese verhalen.»


Was Boelgakov zelf een vrijmetselaar?

Er zijn geen bronnen die vermelden dat Michail Boelgakov zelf een vrijmetselaar zou geweest zijn. In zijn omgeving waren echter wel bekende vrijmetselaars actief.

In de jaren twintig bezocht Boelgakov regelmatig de Никитинские субботники [Nikitinskije soebbotniki] of de Zaterdagen van Nikitin. Dat waren regelmatige bijeenkomsten over literatuur, ten huize van de advocaat Aleksej Maksimovitsj Nikitin (1876-1939) en zijn echtgenote, de literatuurcritica en uitgeefster Evdoksija Fjodorovna Nikitina (1895-1973), geboren Plotnikova. Daar heeft hij de dichter en archeoloog Boris Michailovitsj Zoebakin (1894-1938) ontmoet. Zoebakin had met enkele medestudenten in 1912 een eigen loge opgericht, de Loggia Astra, die later opgenomen werd in de Orde van de Rozenkruiser.  Die Orde van de Rozenkruiser was in 1907 opgericht in Sint-Petersburg door de Tsjechische apothekersassistent Aleksandr Kasparovitsj Kording (?-1915). In december 1922 werd Zoebakin gearresteerd. Hij kwam voorwaardelijk vrij in 1923. In 1929 werd hij opnieuw gearresteerd als «deelnemer en organisator van bijeenkomsten van mystici, kabbalisten en zwarte magie» en voor drie jaar verbannen naar Archangelsk. In september 1937 werd hij een derde keer gearresteerd door de NKVD als leider en organisator van «een mystieke fascistische rebellengroep van maçonnieke strekking». Hij werd geëxecuteerd op 3 februari 1938.

In 1925 heeft Boelgakov het kortverhaal Reis door de Krim geschreven, waarin hij op ironische wijze de nadelen van het kuuroord Koktebel in de Krim beschreef. Hij was daar, samen met zijn tweede echtgenote Ljoebov Jevgenjeva Belozerskaja (1894-1987), op bezoek bij één van zijn vrienden, de dichter Maksimilian Aleksandrovitsj Volosjin (Kirjenko-Volosjin) (1877-1932). Volosjin, die een tijd in Parijs gewoond heeft, was in 1905 lid geworden van de vrijmetselaarsloge Le Travail et les Vrais Amis Fidèles.

In 1932 schreef Boelgakov het toneelstuk Jourdain de Halfgare, een losse bewerking van de balletkomedie Le Bourgeois gentilhomme van Jean-Baptiste Molière (1622-1673). Hij had dat gedaan in opdracht van acteur en regisseur Joeri Aleksandrovitsj Zavadski (1894-1977). Ook Zavadski was een logebroeder. In september 1930 werd hij gearresteerd voor zijn rol in het organiseren van de Rozenkruisersorden De Orde van het Licht en De Tempel van de Kunst. Dank zij de inspanningen van theaterdirecteur Konstantin Sergejevitsj Stanislavski (1863-1938) werd hij een maand later weer vrijgelaten.



Deze pagina delen |