3. Het zevende bewijs

Nederlands > De roman > Aantekeningen per hoofdstuk > Hoofdstuk 3

De titel van het hoofdstuk

In het eerste hoofdstuk reeds debatteerden Woland, Ivan en Berlioz over de vijf godsbewijzen. De katholieke filosoof en theoloog Thomas van Aquino (1225-1274) formuleerde vijf bewijzen - of argumenten - voor het bestaan van God in zijn Summa Theologiae (1265-1274).

1. Het argument van de onbewogen beweger of het bewijs ex motu. Alle dingen die bestaan veranderen en bewegen, er moet dus ooit iets of iemand de eerste verandering of beweging hebben doen plaatsvinden.

2. Het argument van de eerste oorzaak of het bewijs ex causa. Sommige dingen hebben een oorzaak, en worden veroorzaakt door iets of iemand anders. Daarom moet er een niet veroorzaakte oorzaak zijn voor alle veroorzaakte dingen.

3. Het argument van de eventualiteit of het bewijs ex contingentia. Dingen in het universum kunnen bestaan of niet bestaan. Zulke dingen worden toevalligheden of eventualiteiten genoemd. Maar niet alles kan toeval zijn, er moet dus ergens iets of iemand zijn wiens bestaan niet toevallig is.

4. Het argument van de graden of het bewijs ex gradu. Doorheen het universum kunnen verschillende graden van perfectie gevonden worden, wat het bestaan van de perfectie zelf veronderstelt.

5. Het argument van het ontwerp of het bewijs ex fine. Alle ontworpen dingen hebben een ontwerper. Het universum is ontworpen. Daarom heeft het universum een ontwerper.

Immanuel Kant (1724-1804), de Duitse idealistische filosoof, voegde daar een zesde bewijs aan toe, maar Woland moest daar blijkbaar niet veel van hebben: «hij fabriceerde een zesde van eigen vinding, als om een loopje met zichzelf te nemen».

Dat was het argument of bewijs van de morele orde. Kant stelde dat wij rationeel verplicht zijn om het summum bonum te bereiken. En wat we verplicht worden om te bereiken, moet bereikbaar zijn. Indien er geen God of hiernamaals is, is het onmogelijk om het summum bonum te bereiken. Dus bestaat er een God of hiernamaals.

In dit derde hoofdstuk poneert Woland nog een zevende bewijs, dat hij aan Berlioz enkele minuten later toont wanneer hij door de tram onthoofd wordt. «Gelooft u althans dat de duivel bestààt! Meer vraag ik niet van u. Weet wel dat daarvoor een zevende bewijs bestaat, en een zeer betrouwbaar. Het zal zo meteen aan u worden voorgelegd!»

Het zevende bewijs zou dus het ervaringsbewijs kunnen genoemd worden. Want Berlioz ervaart dat de duivel bestaat, waarmee meteen ook het (zevende) bewijs is geleverd dat God bestaat.

Het loont misschien ook nog de moeite om toe te voegen dat Boelgakovs goede vriend, de filosoof en literair criticus Pavel Sergejevtisj Popov (1892-1964), erg bezig was met het probleem van de godsbewijzen.

Een accent dat nu eens verdween en zich dan weer manifesteerde

Woland, die in het eerste hoofdstuk perfect Russisch sprak, begint met een accent te spreken dat «nu eens verdween en zich dan weer manifesteerde». In de notaboeken van Boelgakov vinden we een verwijzing naar de «schrijfmachine met het Turks accent» uit Het gouden kalf van Ilja Ilf (1897-1937) en Jevgeni Petrov (1903-1942), maar ook naar «een Kaukasisch accent». Dat is een verwijzing naar Jozef Stalin (1878-1953), die met een Georgisch accent sprak, hoewel zijn taalgebruik officieel werd bestempeld als «perfect». In andere woorden: Stalin's accent «verdween nu eens, om zich dan weer te manifesteren», afhankelijk van wie het beschreef. Het geeft voedsel aan de veronderstelling van sommigen dat Stalin het prototype voor Woland zou zijn geweest.

Hotel Metropole

Het Metropol hotel - zonder «e» achteraan - werd tussen 1899-1903 gebouwd door William Walcott (1874-1943). Dit post art-nouveau hotel heeft 400 kamers en suites, en rijkelijk gedecoreerd met mozaïeken van de kunstenaar Michail Vroebel (1856-1910). Het Metropol is het toneel geweest van heel wat historische evenementen, zoals de speeches van Lenin en de bijeenkomsten van het Centraal Comité van de Russische Republiek in 1918-1919. Het werd één van de hotels speciaal uitgebouwd voor buitenlanders. Het is nog altijd een van de meest luxueuze hotels van Moskou.

Klik hier om te zien hoe het hotel zichzelf vandaag voorstelt

Geheimhouding

«Ik was bij Pontius Pilatus op het balkon en in de tuintijdens zijn gesprek met Kajafas en ook op de tribune, maar in het geheim, incognito zogezegd, dus ik verzoek u strikte geheimhouding.»

Met dit citaat suggereert Woland in feite reeds dat hij de duivel is. In het vorige hoofdstuk, waar de ontmoeting tussen Pilatus en Kajafas wordt beschreven, stond immers dat die twee elkaar «onder vier ogen» spraken. Zonder - sterfelijke - getuigen dus.

Het bestaat niet

«Je kunt nergens naar vragen, of het bestaat niet!» lachte Woland wanneer Ivan zegt dat de duivel niet bestaat. Deze zin werd in Rusland heel populair na de publicatie van De meester en Margarita. De Sovjetburgers zagen het immers als een satirisch commentaar op het ontbreken van koopwaar in de winkels.

Korovjev

De beschrijving van de wijze waarop Korovjev gekleed gaat doet denken aan deze van de duivel die Ivan Fjodorevitsj Karamazov bezoekt in de roman De broers Karamazov van Fjodor Michajlovitsj Dostojevski (1821-1881). Zijn beroep van koordirigent verbindt hem ook met kapelmeester Kreisler, een figuur van Ernst Theodor Amadeus Hoffman (1776-1822). Die kapelmeester had overigens ook een kat als compagnon. Die kat heette Murr en was ook een redelijk speciaal schepsel. Beide figuren komen voor in het boek Lebensansichten des Katers Murr (1819-1821).

De naam Korovjev is ontleend aan het Russische woord корова (korova) dat koe betekent. Dat kan doen denken aan het Gouden Kalf waarmee Mephistoteles in de opera Faust van Charles Gounod (1818-1895) de almacht van het geld viert.

Later in de roman zal Woland hem nog een tweede pseudoniem toedichten: Fagot. Dat gebeurt tijdens hun show in het Variété Theater in hoofdstuk 12, en brengt hem in verband met de vele muzikale thema's die voorkomen in het verhaal. Hij lijkt ook wat op dat lange blaasinstrument dat soms twee meter hoog kan zijn en een heel breed register heeft. Fagot beschikt ook over een uitgebreide capaciteit om zijn stem te veranderen.

Uw oom in Kiev

In hoofdstuk 18 zal deze oom opduiken, nadat hij een telegram uit Moskou heeft ontvangen.

De tramlijn

De tram die Berlioz zal onthoofden komt aangedenderd over de «recentelijk van de Jermolajevstraat naar de Bronnaja gelegde rails». Boelgakov moest wel vermelden dat die rails «recentelijk» waren aangelegd, want de meeste historici zijn het erover eens dat op die plaats helemaal geen tramlijn lag. De invloed van Boelgakov's roman was echter zo groot dat later veel Moskovieten zich deze tramlijn «herinnerden».

Boelgakov hield niet van de trams. Eén van zijn appartementen was gelegen naast een tramspooren het gepiep van de remmen irriteerde hem dag en nacht. Trams zijn «overbevolkt, verstikken de mensen, geklemd op d rails. Mensen hangen aan de treeplanken en de spatborden als konijnen».

Vuurrode halsdoek

Berlioz ziet de trambestuurster «boven een vuurrode halsdoek». Wat weer eens bewijst dat de voorspelling van Woland tot in de details exact was: zo'n halsdoek was het teken dat de betrokkene lid was van de Komsomol.

In de Franse vertaling en in sommige Engelse vertalingen is sprake van een rode armband, maar Boelgakov beschrijft wel degelijk een алая повязка [apalja povjazka] of vuurrode halsdoek.



Deze pagina delen |