2. Pontius Pilatus (vervolg)

Nederlands > De roman > Aantekeningen per hoofdstuk > Hoofdstuk 2 (vervolg)

Gamala

Wanneer Pilatus hem vraagt waar hij geboren is, antwoordt Jesjoea niet met Betlehem, zijn geboorteplaats, of Nazareth, zijn woonplaats. Neen, hij zegt Gamala, en «gaf met zijn hoofd te kennen dat ginds, ergens ver weg, rechts van hem, in het noorden een stad Gamala lag».

Gamala is een stadje ten noordoosten van Tiberias aan het Meer van Galilea, dat traditioneel niet in verband wordt gebracht met het leven van Jezus. Geen van de vier canonieke evangelisten vermeldt het, dus waarom zou Boelgakov het doen?

Sommige historici argumenteren dat het ontbreken van tekstuele referenties naar Nazareth in het Oude Testament en de Talmoed, en ook in de werken van Flavius Josephus (57-100), bewijst dat er in de tijd van Jezus gewoon geen stad bestond die Nazareth heette. Zij geloven dat Jezus in Gamala leefde.

In 1927 had de Franse schrijver Henry Barbusse (1873-1935) die thesis verdedigd in zijn boek Jésus (Jezus). Hij had dat geschreven omdat hij, naar eigen zeggen, «zich sterk gecharmeerd voelde door het menselijk en ontroerend beeld van de Joodse profeet, zoon van een timmerman, die zichzelf omringde met mensen van bescheiden afkomst en die zichzelf concentreerde op de eenvoudigen». Barbusse geloofde niet in de goddelijke Jezus, hij geloofde wel in zijn liefde voor de mensheid. Hij voelde zich aangetrokken door een traditie in de arbeidersbeweging: de idee van een revolutionaire Jezus, gedood door de machtigen van zijn tijd waarvan hij de macht betwiste. Toen hij,om zichzelf te verantwoorden, in het tijdschrift L’Humanité een arftikel schreef met de titel Jezus marxist, waren veel mensen geschandalizeerd. Later zou Barbusse nog een toneelstuk schrijven, Jésus contre Dieu (Jezus tegen God), dat echter nooit zou opgevoerd worden.

Gamala was de thuisbasis van Judah de Gallileër die in het jaar 6 een opstand tegen de Romeinen had geleid en wiens volgelingen, de Zeloten, een radicale anti-Romeinse groep vormden die onder meer weigerden de Romeinse belastingen te betalen. Jezus recruteerde zijn eerste apostelen in de buurt van Gamala. Men mag dus zeker niet uitsluiten dat er relatief veel Zeloten geweest zijn bij zijn eerste volgelingen, zelfs bij de apostelen. Jacobus en Johannes (zonen van Zebedeus) hadden als bijnaam zonen van de donder, wat zou wijzen naar de Zeloten. Het is zelfs mogelijk dat Petrus een Zeloot was. Zijn bijnaam Barjona (Mattheüs 16,17) zou duiden op de Zeloten. Het betekent niet alleen zoon van Jona maar tevens vogelvrije. In Lukas 6:15 staat Simon de Zeloot vermeld onder de naaste volgelingen van Jezus, en misschien was zelfs de broer van Petrus, Andreas, een Zeloot.

Vlak bij Gamala, in Betsaïda, vond één van de twee vermenigvuldigingen van de broden plaats die Jezus Christus zou uitgevoerd hebben. Met 5 broden en twee vissen zou hij 5.000 volgelingen te eten gegeven hebben. Dat was kort nadat Jezus had gehoord dat Johannes de Doper was gedood. Het volk was entoesiast, zoals blijkt uit Johannes 6:15:«Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot koning zouden uitroepen».Na de broodvermenigvuldiging stuurde Jezus zijn apostelen weg. Mattheus 14:22: «Meteen daarna gelastte hij de leerlingen in de boot te stappen en alvast vooruit te gaan naar de overkant, hij zou ook komen nadat hij de mensen had weggestuurd». Sommige bijbelkenners gaan ervan uit dat Jezus zijn apostelen wegstuurde om te vermijden dat ze als Zeloten zouden beschouwd worden door de autoriteiten. Deze eerste broodvermenigvuldiging in Betsaïda werd door alle vier canonieke evangelisten beschreven. Een tweede gelijkaardig mirakel, waarbij met zeven broden en enkele vissen een groep van 4.000 mensen werd gevoed, werd alleen door Marcus en Mattheus beschreven.

Een Syriër

Jesjoea zegt: «Ik weet niets van mijn ouders af, maar ik heb mij laten vertellen dat mijn vader een Syriër was». Ook hier weer wijkt Boelgakov sterk af van de canonieke evangelisten, die schreven dat Jezus' moeder, Maria, nog leefde toen hij terechtgesteld werd, en dat hij haar dus nog goed kende toen hij voor Pilatus verscheen. Maria zou Jezus onbevlekt ontvangen hebben, dus zonder geslachtsgemeenschap te hebben gehad met haar verloofde Jozef van Nazareth. Mattheus en Lucas schreven dat Jozef een afstammeling was van koning David, die volgens de Hebreeuwse bijbel de tweede koning van het Verenigd Koninkrijk Israël was. Jozef was timmerman van beroep. De laatste keer dat hij wordt genoemd in de bijbel is als Jezus 12 jaar oud is. Tijdens Jezus' openbare optreden wordt hij niet genoemd, waardoor velen veronderstellen dat hij toen al overleden was.

Volgens de bijbel had Jezus ook broers en zussen. Zijn vier broers worden met name genoemd als Jakobus, Jozef, Simon en Judas, maar van zijn zussen kennen we noch de namen, noch hun aantal. Bepaalde christenen, die geloven in de altijddurende maagdelijkheid van Maria, zeggen dat zij geen broers en zussen van Jezus waren, maar kinderen geboren uit een eerder huwelijk van Jozef.

Mattheus Levi

De meeste christenen geloven dat de evangelist Mattheus dezelfde persoon is als de apostel Mattheus, oorspronkelijk Levi genaamd. Of dat historisch mogelijk is geweest, kan worden betwijfeld, want dan moet hij wel héél erg oud geworden zijn toen hij het evangelie schreef. De meeste bijbelgeleerden dateren het ontstaan van de vier Evangeliën immers als volgt: Marcus circa 65; Lucas circa 80-85; Mattheus circa 85-90; Johannes circa 90-100. Anderen dateren de drie eerste Evangeliën iets eerder: Marcus kort na 60; Lukas tussen 60 en 70 en Mattheus kort na 70.

In De meester en Margarita kennen Jezus en Mattheus Levi elkaar wel, maar niet lang genoeg om van een apostel te kunnen gewagen. Boelgakov verwijst duidelijk naar de evangelist - «een figuur die me aldoor achternaloopt met geiteperkament om alles wat ik zeg te noteren», zegt Jesjoea over hem.

Boelgakov heeft het overigens nergens over de apostelen in de roman. Al laat hij Afranius wel zeggen dat, «hoewel we geen volgelingen of discipelen van hem kunnen aanwijzen, we toch niet zonder meer mogen stellen dat die er helemaal niet zijn». Maar verder spelen ze absoluut geen rol, worden ze zelfs niet vermeld. Alleen Mattheus Levi wordt een keer of twee een «leerling» genoemd, al is het dan telkens door hemzelf. Boelgakovs Mattheus Levi vertoont wel kenmerken van zowel de apostel als de evangelist. Hij was een tollenaar, zoals de apostel Mattheus Levi, en noteerde de handelingen van Jezus, zoals de evangelist Mattheus.

De roeping door Jezus van de apostel Mattheus was nogal controversieel. Na een conflict met de schriftgeleerden verlaat Jezus de stad en gaat naar het meer van Galilea. Langs Kafarnaüm, dat aan het meer lag, liep de zeeweg, de hoofdweg van Syrië naar Egypte. Alle goederen die het gebied van Herodes binnenkwamen, werden bij het tolhuis van Kafarnaüm belast met een tolbelasting, één van de vier algemene belastingen die betaald moesten worden. De tollenaars inden de belastinggelden voor de bezettende macht en eisten daarbij vaak te veel geld en staken dat in eigen zak. Ze werden door de mensen gehaat en zó veracht dat hun geld door de joden niet als aalmoes aanvaard werd en dat hun getuigenis in een joodse rechtszaak niet geldig was, omdat ze ritueel onrein waren door hun omgang met heidenen. Mattheüs, die door Marcus en Lucas Levi wordt genoemd, was zo'n tollenaar en dat Jezus juist deze tollenaar in zijn gevolg roept, moet voor veel joden zeer bedenkelijk geweest zijn. Als Jezus hem roept, laat Mattheüs zijn werk en zijn oude leven achter zich en volgt Jezus als zijn discipel. Zij gaan dan het huis van Mattheüs binnen en houden daar een feestmaaltijd, waarbij Jezus en de discipelen aanlagen samen met vele tollenaars en zondaars.

De evangelist Mattheus beschrijft de roeping van de apostel Mattheus als volgt: Matteus 9: 9 - «En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheüs; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem».

Bethfage

De naam Bethfage betekent in het Hebreeuws Huis van de vijgen, het is een dorpje in de buurt van Jeruzalem waar Jezus langskwam op zijn weg naar de stad.

Het park van de Olijfberg

De Olijfberg is een heuvel in het oosten van Jeruzalem. Aan de voet van de heuvel lag Getsemane, wat Hebreeuws is voor olijfpers. Hier, aan de oever van de rivier Kedron, werd volgens het Evangelie Jezus gearresteerd.

Dismas, Hestas en Bar-Abbas

Dismas en Hestas waren de twee misdadigers - de moordenaars volgens het Nieuwe Testament - die samen met Jezus gekruisigd werden. Hun namen worden niet vermeld in de canonieke Evangeliën, maar wel in het apocriefe Evangelie van Nicodemus, waarvan een gedeelte bekend is onder de naam De Handelingen van Pilatus. Bar-Abbas is de Barabbas uit het Evangelie die door Pilatus werd vrijgelaten ter gelegenheid van het feest van Pesach.

Het apocriefe Evangelie van Nicodemus kan u hier downloaden

Jehoeda van Karioth

De Judas van Boelgakov vertoont redelijk wat verschillen met de bijbelse Judas. In het Nieuwe Testament is Judas één van de twaalf apostelen, en kent hij Jezus dus al langer dan twee dagen. De apostelen trokken drie jaar met Jezus van Nazareth op. In de Bijbel wordt Judas ook niet vermoord, maar pleegt hij zelfmoord, verteerd door wroeging en spijt. Na zijn dood wordt hij in de groep van de 12 apostelen vervangen door Mattias. Boelgakov heeft van hem een spion gemaakt, door geld en ook wel door liefde gedreven.

En ontstak de lampen

Het ontsteken van de lampen was een gewoonte om een verborgen getuige de kans te geven het gezicht van de misdadiger te zien. Jesjoea verwonderde zich over "de welingelichtheid van de procurator", alsof hij niet besefte dat hij verraden was.

De Schedelberg

De Schedelberg is de plaats die in het Evangelie Golgotha - Aramees woord voor Schedelplaats - genoemd wordt en waar Jezus gekruisigd werd. Topografisch is Boelgakovs heuvel hoger dan Golgotha en ligt hij iets verder van de stad. Er bestaat ook een Schedelberg dicht bij Boelgakovs geboortestad Kiev in Oekraïne.

Josef Kajafas

Het Sanhedrin was niet rechtstreeks bevoegd tot het uitspreken van doodstraffen, behalve voor tempelschennis. Daarom moest hun doodvonnis over Jezus van Nazareth bekrachtigd worden door Pilatus. Het Sanhedrin werd voorgezeten door de hogepriester. De historische Josef Kajafas was in die functie aangesteld door de voorganger van Pontius Pilatus, Valerius Gratus, in het jaar 18.

Maar Kajafas verontschuldigde zich hoffelijk

Pilatus nodigde Kajafas uit naar het balkon om zich te onttrekken aan de genadeloze hitte, maar Kajafas «verontschuldigde zich hoffelijk». Als hij onder het dak van een niet-jood kwam, zou de hogepriester namelijk onrein geweest zijn en zou hij het komende feest niet kunnen vieren.

Een beweging waarin ook Pilatus zelf werd opgenomen

Dit is mogelijk een verwijzing naar een legende volgens dewelke Pilatus zichzelf zou verdronken hebben.

Ridder van de Gouden Lans

De Ridders van de Gouden Lans waren een ruiterorde van de Romeinse adel. De orde was de volgende in belang na de Senaat. Keizer Augustus (63 BC-14) hervormde de orde, waarna ze heel wat kandidaten leverde voor hoge administratieve posten. De naam Pilatus zou kunnen afgeleid zijn van het Latijnse woord pilum, dat speer of lans betekent.

Vorige Aantekeningen hoofdstuk 2



Deze pagina delen |